barsten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɑrstə(n)Betekenis
- heftig breken of uiteenspatten
- ~ van een versterking van de uitdrukking die volgt
- laten barsten: iemand niet (meer) helpen terwijl dat eigenlijk wel moest
Hoe spreek je barsten uit?
/ˈbɑrstən/
Barsten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van barsten
barstenhele werkwoord — barstteverleden tijd enkelvoud — barsttenverleden tijd meervoud — gebarstenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | barst | barstte |
| jij | barst | barstte |
| hij, zij, het | barst | barstte |
| wij | barsten | barstten |
| jullie | barsten | barstten |
| zij | barsten | barstten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| barst | gebiedende wijs |
| barste | aanvoegende wijs |
| barstend | onvoltooid, deelwoord |
| barstte | verleden tijd |
| ben gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebarsten | verleden tijd, deelwoord |
| gebarsten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebarsten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te barsten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gebarsten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen barsten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebarsten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebarsten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebarsten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebarsten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebarsten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebarsten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebarsten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebarsten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebarsten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt barsten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebarsten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen barsten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult barsten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebarsten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord barst
Herkomst
In de betekenis van ‘splijten’ voor het eerst aangetroffen in 1270
Woordfamilie van barsten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| barstte | verleden tijd | barsten |
| barstten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | barsten |
| gebarsten | voltooid deelwoord | barsten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van barsten zijn vastgelegd.