ontploffen
werkwoord ɔntˈplɔfə(n)Betekenis
- plotseling sterk uitdijen
Hoe spreek je ontploffen uit?
/ɔntˈplɔfən/
Ontploffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| p | pak |
| l | land |
| f | fiets |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- plotseling sterk uitdijen en tegelijkertijd desintegreren, vaak in combinatie met een explosie ergative
- plotseling erg kwaad worden figuratively, informal
Vervoeging van ontploffen
ontploffenhele werkwoord — ontplofteverleden tijd enkelvoud — ontploftenverleden tijd meervoud — ontploftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontplof | ontplofte |
| jij | ontploft | ontplofte |
| hij, zij, het | ontploft | ontplofte |
| wij | ontploffen | ontploften |
| jullie | ontploffen | ontploften |
| zij | ontploffen | ontploften |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontplof | gebiedende wijs |
| ontploffe | aanvoegende wijs |
| ontploffend | onvoltooid, deelwoord |
| ontploft | verleden tijd, deelwoord |
| ontploft te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontploft zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontplofte | verleden tijd |
| te ontploffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontploft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontploft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontploft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontploft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontploft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontploft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontploft zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontploffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontploffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontploft zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van ploffen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontploffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontplof | gebiedende wijs | ontploffen |
| ontploffe | aanvoegende wijs | ontploffen |
| ontploffend | onvoltooid deelwoord | ontploffen |
| ontploffende | woordvorm | ontploffen |
| ontploft | voltooid deelwoord | ontploffen |
| ontplofte | verleden tijd | ontploffen |
| ontploften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontploffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontploffen zijn vastgelegd.