bonus
zelfstandig naamwoord /bonəs/Betekenis
- een extraatje, meestal als beloning
- goed
- bonusaanbieding; een voorwerp dat gratis bij een gekocht product wordt gegeven met als doel klanten te lokken
- een korting die iemand bij een verzekering krijgt als er lange tijd geen schade geclaimed is
- malus
- nádavek
Hoe spreek je bonus uit?
/bonəs/
Bonus bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| n | nek |
| ə | de |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boni | meervoud |
| bonusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bonusjes | verkleinwoord, meervoud |
| bonussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitkering’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van bonus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bonusje | verkleinwoord | bonus |
| bonusjes | verkleinwoord meervoud | bonus |
| bonussen | meervoud | bonus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bonus zijn vastgelegd.