Naar de inhoud

opbreken

de tenten afbreken en optrekken

opbreken

werkwoord

Betekenis

  1. de tenten afbreken en optrekken
  2. een weg ~: de grond openen voor werkzaamheden
  3. duur te staan komen

Vervoeging van opbreken

opbrekenhele werkwoord — brak opverleden tijd enkelvoud — braken opverleden tijd meervoud — hebben opgebrokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breek op brak op
jij breekt op braakt op
hij, zij, het breekt op brak op
wij breken op braken op
jullie breken op braken op
zij breken op braken op
Alle 123 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brak op verleden tijd
breek op gebiedende wijs
breekt op tegenwoordige tijd
er is opgebroken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgebroken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgebroken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgebroken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgebroken worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgebroken zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgebroken worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgebroken zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebroken verleden tijd, deelwoord
is opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te breken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal breken bijzin, toekomende tijd
op zou breken bijzin, voorwaardelijk
op zouden breken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt breken bijzin, voorwaardelijk
op zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen breken bijzin, toekomende tijd
op zult breken bijzin, toekomende tijd
opbraakt bijzin, verleden tijd
opbrak bijzin, verleden tijd
opbraken bijzin, verleden tijd
opbreek bijzin, tegenwoordige tijd
opbreekt bijzin, tegenwoordige tijd
opbrekend onvoltooid, deelwoord
opgebroken verleden tijd, deelwoord
opgebroken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebroken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebroken te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebroken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebroken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebroken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebroken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebroken zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebroken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebroken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben/zijn opgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbreken toekomende tijd
zal opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbreken bijzin, toekomende tijd
zal opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgebroken verleden tijd, deelwoord
zijn opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbreken bijzin, voorwaardelijk
zou opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbreken op zou(dt) breken bijzin, voorwaardelijk
zouden opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbreken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbreken bijzin, toekomende tijd
zullen opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbreken bijzin, toekomende tijd
zult opgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opbreken op zult/zal breken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en breken

Woordfamilie van opbreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brak op verleden tijd opbreken
braken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbreken
breek op gebiedende wijs opbreken
breekt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbreken
breke op woordvorm opbreken
breken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbreken
opbrak subordinate-clause, verleden tijd opbreken
opbraken subordinate-clause, verleden tijd opbreken
opbreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbreken
opbreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbreken
opbreke with-subordinate-clause opbreken
opbrekend onvoltooid deelwoord opbreken
opbrekende woordvorm opbreken
opgebroken voltooid deelwoord opbreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbreken

Wat is de betekenis van opbreken?
Opbreken is een werkwoord. De betekenis is: de tenten afbreken en optrekken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opbreken?
Zo vervoeg je opbreken zo: het voltooid deelwoord is hebben opgebroken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbreken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbreken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbreken in het kort

opbreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opbreken staan er 78 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opbreken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opbreken: de tenten afbreken en optrekken
Deel opbreken — standaardnederlands.nl