opbreken
werkwoordBetekenis
- de tenten afbreken en optrekken
- een weg ~: de grond openen voor werkzaamheden
- duur te staan komen
Vervoeging van opbreken
opbrekenhele werkwoord — brak opverleden tijd enkelvoud — braken opverleden tijd meervoud — hebben opgebrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek op | brak op |
| jij | breekt op | braakt op |
| hij, zij, het | breekt op | brak op |
| wij | breken op | braken op |
| jullie | breken op | braken op |
| zij | breken op | braken op |
Alle 123 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brak op | verleden tijd |
| breek op | gebiedende wijs |
| breekt op | tegenwoordige tijd |
| er is opgebroken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was opgebroken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd opgebroken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt opgebroken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgebroken worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgebroken zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou opgebroken worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou opgebroken zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben opgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| is opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| opbraakt | bijzin, verleden tijd |
| opbrak | bijzin, verleden tijd |
| opbraken | bijzin, verleden tijd |
| opbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| opgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| opgebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebroken te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebroken zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben/zijn opgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbreken | toekomende tijd |
| zal opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| zijn opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbreken op zou(dt) breken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opbreken op zult/zal breken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en breken
Woordfamilie van opbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brak op | verleden tijd | opbreken |
| braken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbreken |
| breek op | gebiedende wijs | opbreken |
| breekt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbreken |
| breke op | woordvorm | opbreken |
| breken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbreken |
| opbrak | subordinate-clause, verleden tijd | opbreken |
| opbraken | subordinate-clause, verleden tijd | opbreken |
| opbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbreken |
| opbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbreken |
| opbreke | with-subordinate-clause | opbreken |
| opbrekend | onvoltooid deelwoord | opbreken |
| opbrekende | woordvorm | opbreken |
| opgebroken | voltooid deelwoord | opbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbreken zijn vastgelegd.