opbouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɔpbɑu(w)ə(n)/Betekenis
- maken uit losse onderdelen
- laten ontstaan
Hoe spreek je opbouwen uit?
/ˈɔpbɑuwən/
Opbouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opbouwen
opbouwenhele werkwoord — bouwde opverleden tijd enkelvoud — bouwden opverleden tijd meervoud — opgebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bouw op | bouwde op |
| jij | bouwt op | bouwde op |
| hij, zij, het | bouwt op | bouwde op |
| wij | bouwen op | bouwden op |
| jullie | bouwen op | bouwden op |
| zij | bouwen op | bouwden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bouw op | gebiedende wijs |
| bouwde op | verleden tijd |
| er is opgebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgebouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgebouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgebouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgebouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| opbouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbouwde | bijzin, verleden tijd |
| opbouwden | bijzin, verleden tijd |
| opbouwend | onvoltooid, deelwoord |
| opbouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| opgebouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbouwen op zou(dt) bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opbouw
Herkomst
samenstelling van op en bouwen
Woordfamilie van opbouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouw op | gebiedende wijs | opbouwen |
| bouwde op | verleden tijd | opbouwen |
| bouwden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbouwen |
| bouwe op | woordvorm | opbouwen |
| bouwen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbouwen |
| bouwt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbouwen |
| opbouwde | subordinate-clause, verleden tijd | opbouwen |
| opbouwden | subordinate-clause, verleden tijd | opbouwen |
| opbouwe | with-subordinate-clause | opbouwen |
| opbouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbouwen zijn vastgelegd.