oorlog
zelfstandig naamwoord ˈorlɔxBetekenis
- een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
Hoe spreek je oorlog uit?
/ˈorlɔx/
Oorlog bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
| l | land |
| ɔ | bot |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen of “de voortzetting van de politiek met andere middelen” (Clausewitz)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oorlogen | meervoud |
| oorlogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oorlogjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘strijd tussen volkeren of staten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van oorlog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oorlogje | verkleinwoord | oorlog |
| oorlogjes | verkleinwoord meervoud | oorlog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oorlog zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- oorlog voeren
- oorlogsbodem
- oorlogsbuit
- oorlogscorrespondent
- oorlogsdocumentaire
- oorlogsgebied
- oorlogshaven
- oorlogsheld
- oorlogshitser
- oorlogskreet
- oorlogsmachine
- oorlogsmisdaad
- oorlogsmisdadiger
- oorlogsmoe
- oorlogsmoeheid
- oorlogsmonument
- oorlogspad
- oorlogspropaganda
- oorlogsschip
- oorlogssituatie
- oorlogsslachtoffer
- oorlogssterkte
- oorlogstijd
- oorlogstrauma