oorlog voeren
werkwoord ˈorlɔx ˈvurə(n)Betekenis
- een gewapend conflict tussen staten uitvechten
Hoe spreek je oorlog voeren uit?
/ˈorlɔxˈvurən/
Oorlog voeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
| l | land |
| ɔ | bot |
| x | acht |
| v | vis |
| u | boek |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van oorlog voeren
oorlog voerenhele werkwoord — voerde oorlogverleden tijd enkelvoud — voerden oorlogverleden tijd meervoud — oorlog gevoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voer oorlog | voerde oorlog |
| jij | voert oorlog | voerde oorlog |
| hij, zij, het | voert oorlog | voerde oorlog |
| wij | voeren oorlog | voerden oorlog |
| jullie | voeren oorlog | voerden oorlog |
| zij | voeren oorlog | voerden oorlog |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt oorloggevoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben oorloggevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft oorloggevoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oorlog gevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| oorlog te voeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| oorlog te zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| oorlog voer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oorlog voerde | bijzin, verleden tijd |
| oorlog voerden | bijzin, verleden tijd |
| oorlog voerend | onvoltooid, deelwoord |
| oorlog voert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oorlog zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
| oorlog zou voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| oorlog zouden voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| oorlog zoudt voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| oorlog zullen voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oorlog zullen voeren | bijzin, toekomende tijd |
| oorlog zult voeren | bijzin, toekomende tijd |
| oorloggevoerd | verleden tijd, deelwoord |
| oorloggevoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| oorloggevoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben oorloggevoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oorlog voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voer oorlog | gebiedende wijs |
| voerde oorlog | verleden tijd |
| zal oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oorlog voeren | bijzin, toekomende tijd |
| zal oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oorlog voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) oorlog voeren oorlog zou(dt) voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oorlog voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oorlog voeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt oorloggevoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen oorlog voeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oorlog voeren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult oorlog voeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult oorlog voeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult oorloggevoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal oorlog voeren oorlog zult/zal voeren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
verbinding van oorlog en voeren, geschreven met een spatie volgens spellingregel 6.B
Woordfamilie van oorlog voeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oorlog gevoerd | voltooid deelwoord | oorlog voeren |
| oorlog voer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oorlog voeren |
| oorlog voerde | subordinate-clause, verleden tijd | oorlog voeren |
| oorlog voerden | subordinate-clause, verleden tijd | oorlog voeren |
| oorlog voert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oorlog voeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oorlog voeren zijn vastgelegd.