ontzenuwen
werkwoordBetekenis
- (van stellingen en bewijsvoeringen) afdoende weerleggen
werkwoord
- afdoende weerleggen transitive
Vervoeging van ontzenuwen
ontzenuwenhele werkwoord — ontzenuwdeverleden tijd enkelvoud — ontzenuwdenverleden tijd meervoud — ontzenuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzenuw | ontzenuwde |
| jij | ontzenuwt | ontzenuwde |
| hij, zij, het | ontzenuwt | ontzenuwde |
| wij | ontzenuwen | ontzenuwden |
| jullie | ontzenuwen | ontzenuwden |
| zij | ontzenuwen | ontzenuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontzenuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontzenuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontzenuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontzenuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontzenuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontzenuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontzenuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontzenuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzenuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzenuw | gebiedende wijs |
| ontzenuwd | verleden tijd, deelwoord |
| ontzenuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzenuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzenuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzenuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzenuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzenuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzenuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzenuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzenuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzenuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzenuwde | verleden tijd |
| ontzenuwe | aanvoegende wijs |
| ontzenuwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontzenuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzenuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzenuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontzenuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontzenuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontzenuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontzenuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontzenuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzenuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontzenuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontzenuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontzenuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontzenuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zenuw met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontzenuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontzenuw | gebiedende wijs | ontzenuwen |
| ontzenuwd | voltooid deelwoord | ontzenuwen |
| ontzenuwde | verleden tijd | ontzenuwen |
| ontzenuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzenuwen |
| ontzenuwe | aanvoegende wijs | ontzenuwen |
| ontzenuwend | onvoltooid deelwoord | ontzenuwen |
| ontzenuwende | woordvorm | ontzenuwen |
| ontzenuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontzenuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzenuwen zijn vastgelegd.