ontvouwen
werkwoordBetekenis
- iets in detail verklaren
- iets los vouwen
- zichtbaar worden
Vervoeging van ontvouwen
ontvouwenhele werkwoord — ontvouwdeverleden tijd enkelvoud — ontvouwdenverleden tijd meervoud — ontvouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontvouw | ontvouwde |
| jij | ontvouwt | ontvouwde |
| hij, zij, het | ontvouwt | ontvouwde |
| wij | ontvouwen | ontvouwden |
| jullie | ontvouwen | ontvouwden |
| zij | ontvouwen | ontvouwden |
Alle 182 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontvouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontvouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontvouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontvouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontvouwd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontvouwd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontvouwd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontvouwd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouw | gebiedende wijs |
| ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwd | verleden tijd, deelwoord |
| ontvouwde | verleden tijd |
| ontvouwe | aanvoegende wijs |
| ontvouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| ontvouwen | verleden tijd, deelwoord |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| ontvouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| ontvouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ontvouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| ontvouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontvouwen
Vervoeging van ontvouwen
ontvouwenhele werkwoord — ontvouwdeverleden tijd enkelvoud — ontvouwdenverleden tijd meervoud — ontvouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontvouw | ontvouwde |
| jij | ontvouwt | ontvouwde |
| hij, zij, het | ontvouwt | ontvouwde |
| wij | ontvouwen | ontvouwden |
| jullie | ontvouwen | ontvouwden |
| zij | ontvouwen | ontvouwden |
Alle 182 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontvouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontvouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontvouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontvouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontvouwd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontvouwd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontvouwd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontvouwd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouw | gebiedende wijs |
| ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwd | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwd | verleden tijd, deelwoord |
| ontvouwde | verleden tijd |
| ontvouwe | aanvoegende wijs |
| ontvouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| ontvouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| ontvouwen | verleden tijd, deelwoord |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ontvouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| ontvouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| ontvouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ontvouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| ontvouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| ontvouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| ontvouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvouwend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontvouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvouwd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvouwd | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vouwen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontvouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontvouw | gebiedende wijs | ontvouwen |
| ontvouwd | voltooid deelwoord | ontvouwen |
| ontvouwde | verleden tijd | ontvouwen |
| ontvouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontvouwen |
| ontvouwe | aanvoegende wijs | ontvouwen |
| ontvouwend | onvoltooid deelwoord | ontvouwen |
| ontvouwende | woordvorm | ontvouwen |
| ontvouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontvouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvouwen zijn vastgelegd.