ontspringen
werkwoordBetekenis
- ontstaan op een bepaalde plek
- uitlopen, uitbotten
- ~ + oorzakelijk voorwerp ontkomen aan iets
werkwoord
- ~ + oorzakelijk voorwerp ontkomen aan iets (hoofdzakelijk in de uitdrukking de dans ontspringen) ergative
Vervoeging van ontspringen
ontspringenhele werkwoord — ontsprongverleden tijd enkelvoud — ontsprongenverleden tijd meervoud — ontsprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontspring | ontsprong |
| jij | ontspringt | ontsprong |
| hij, zij, het | ontspringt | ontsprong |
| wij | ontspringen | ontsprongen |
| jullie | ontspringen | ontsprongen |
| zij | ontspringen | ontsprongen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontsprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontsprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontsprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontsprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontsprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontsprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontsprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontsprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontspring | gebiedende wijs |
| ontspringe | aanvoegende wijs |
| ontspringend | onvoltooid, deelwoord |
| ontsprong | verleden tijd |
| ontsprongen | verleden tijd, deelwoord |
| ontsprongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontsprongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ontsprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontspringen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontsprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontspringen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontsprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ontsnappen aan’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van ontspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontspring | gebiedende wijs | ontspringen |
| ontspringe | aanvoegende wijs | ontspringen |
| ontspringend | onvoltooid deelwoord | ontspringen |
| ontspringende | woordvorm | ontspringen |
| ontspringt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontspringen |
| ontsprong | verleden tijd | ontspringen |
| ontsprongen | voltooid deelwoord | ontspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontspringen zijn vastgelegd.