ontslapen
werkwoordBetekenis
- sterven
werkwoord
- sterven# voltooid deelwoord van ontslapen euphemistic, formal, intransitive
Vervoeging van ontslapen
ontslapenhele werkwoord — ontsliepverleden tijd enkelvoud — ontsliepenverleden tijd meervoud — ontslapenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontslaap | ontsliep |
| jij | ontslaapt | ontsliep |
| hij, zij, het | ontslaapt | ontsliep |
| wij | ontslapen | ontsliepen |
| jullie | ontslapen | ontsliepen |
| zij | ontslapen | ontsliepen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontslaap | gebiedende wijs |
| ontslape | aanvoegende wijs |
| ontslapen | verleden tijd, deelwoord |
| ontslapen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontslapen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontslapend | onvoltooid, deelwoord |
| ontsliep | verleden tijd |
| te ontslapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontslapen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontslapen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontslapen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontslapen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontslapen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontslapen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontslapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontslapen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontslapen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van slapen met het voorvoegsel ont-, in de betekenis van ‘sterven’ aangetroffen vanaf 1637
Woordfamilie van ontslapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontslaap | gebiedende wijs | ontslapen |
| ontslaapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontslapen |
| ontslape | aanvoegende wijs | ontslapen |
| ontslapend | onvoltooid deelwoord | ontslapen |
| ontslapende | woordvorm | ontslapen |
| ontsliep | verleden tijd | ontslapen |
| ontsliepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontslapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontslapen zijn vastgelegd.