ontschieten
werkwoordBetekenis
- uit het geheugen verdwijnen
- door ondoordacht iets te zeggen, laten ontvallen
Vervoeging van ontschieten
ontschietenhele werkwoord — ontschootverleden tijd enkelvoud — ontschotenverleden tijd meervoud — ontschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontschiet | ontschoot |
| jij | ontschiet | ontschoot |
| hij, zij, het | ontschiet | ontschoot |
| wij | ontschieten | ontschoten |
| jullie | ontschieten | ontschoten |
| zij | ontschieten | ontschoten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontschiet | gebiedende wijs |
| ontschiete | aanvoegende wijs |
| ontschietend | onvoltooid, deelwoord |
| ontschoot | verleden tijd |
| ontschoten | verleden tijd, deelwoord |
| ontschoten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontschoten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te ontschieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van schieten met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontschiet | gebiedende wijs | ontschieten |
| ontschiete | aanvoegende wijs | ontschieten |
| ontschietend | onvoltooid deelwoord | ontschieten |
| ontschietende | woordvorm | ontschieten |
| ontschoot | verleden tijd | ontschieten |
| ontschoten | voltooid deelwoord | ontschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontschieten zijn vastgelegd.