Naar de inhoud

uitbenen

het been uit (het vlees) halen

uitbenen

werkwoord ˈœydbenə(n)

Betekenis

  1. het been uit (het vlees) halen

Hoe spreek je uitbenen uit?

/ˈœydbenən/

Uitbenen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydbenən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
b bak
e veel
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitbenen

uitbenenhele werkwoord — beende uitverleden tijd enkelvoud — beenden uitverleden tijd meervoud — uitgebeendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik been uit beende uit
jij beent uit beende uit
hij, zij, het beent uit beende uit
wij benen uit beenden uit
jullie benen uit beenden uit
zij benen uit beenden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
been uit gebiedende wijs
beende uit verleden tijd
ben uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgebeend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebeend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebeend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebeend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebeend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebeend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebeend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebeend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebeend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebeend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebeend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebeend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebeend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebeend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te benen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen benen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal benen bijzin, toekomende tijd
uit zou benen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden benen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt benen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen benen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen benen bijzin, toekomende tijd
uit zult benen bijzin, toekomende tijd
uitbeen bijzin, tegenwoordige tijd
uitbeende bijzin, verleden tijd
uitbeenden bijzin, verleden tijd
uitbeent bijzin, tegenwoordige tijd
uitbenend onvoltooid, deelwoord
uitgebeend verleden tijd, deelwoord
uitgebeend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebeend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebeend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebeend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebeend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebeend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebeend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebeend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebeend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebeend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebeend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebeend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebeend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebeend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebeend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebeend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbenen bijzin, toekomende tijd
zal uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebeend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebeend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebeend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbenen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbenen uit zou(dt) benen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbenen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebeend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebeend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbenen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebeend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgebeend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebeend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebeend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebeend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstellende afleiding van uit (bijwoord) en been bot met het achtervoegsel -en dat een werkwoord vormt

Woordfamilie van uitbenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
been uit gebiedende wijs uitbenen
beende uit verleden tijd uitbenen
beenden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbenen
beent uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbenen
bene uit woordvorm uitbenen
benen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbenen
uitbeen subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbenen
uitbeende subordinate-clause, verleden tijd uitbenen
uitbeenden subordinate-clause, verleden tijd uitbenen
uitbeent subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbenen
uitbene with-subordinate-clause uitbenen
uitbenend onvoltooid deelwoord uitbenen
uitbenende woordvorm uitbenen
uitgebeend voltooid deelwoord uitbenen
uitgebeende woordvorm uitbenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbenen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitbenen

Hoe spreek ik uitbenen uit?
Zo spreek je uitbenen uit: /ˈœydbenə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitbenen?
Uitbenen is een werkwoord. De betekenis is: het been uit (het vlees) halen.
Hoe vervoeg ik uitbenen?
Zo vervoeg je uitbenen zo: het voltooid deelwoord is uitgebeend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbenen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbenen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbenen in het kort

uitbenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitbenen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbenen: het been uit (het vlees) halen
Deel uitbenen — standaardnederlands.nl