ontharden
werkwoord ɔntˈhɑrdə(n)Betekenis
- minder hard maken o.a.:
- (van water:) door de kalkconcentratie te verlagen
- (van staal:) door gloeien en rustig afkoelen
- (van verstedelijkt gebied:) door groene gebieden en doorlatend plaveisel ervoor zorgen dat neerslag in de bodem kan worden opgenomen zodat verdroging en overstromingen worden voorkomen
Hoe spreek je ontharden uit?
/ɔntˈhɑrdən/
Ontharden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontharden
onthardenhele werkwoord — ontharddeverleden tijd enkelvoud — ontharddenverleden tijd meervoud — onthardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onthard | onthardde |
| jij | onthardt | onthardde |
| hij, zij, het | onthardt | onthardde |
| wij | ontharden | onthardden |
| jullie | ontharden | onthardden |
| zij | ontharden | onthardden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is onthard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was onthard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd onthard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt onthard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal onthard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal onthard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou onthard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou onthard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had onthard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onthard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onthard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onthard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onthard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onthard | gebiedende wijs |
| onthard | verleden tijd, deelwoord |
| onthard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onthard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onthard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onthard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onthard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onthard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onthard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onthard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onthard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onthard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onthardde | verleden tijd |
| ontharde | aanvoegende wijs |
| onthardend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben onthard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontharden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontharden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onthard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onthard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was onthard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was onthard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was onthard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt onthard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt onthard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt onthard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt onthard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onthard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontharden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult onthard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onthard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onthard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van harden met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontharden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onthard | voltooid deelwoord | ontharden |
| onthardde | verleden tijd | ontharden |
| onthardden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontharden |
| ontharde | aanvoegende wijs | ontharden |
| onthardend | onvoltooid deelwoord | ontharden |
| onthardende | woordvorm | ontharden |
| onthardt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontharden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontharden zijn vastgelegd.