volharden
werkwoord vɔlˈhɑrdə(n)Betekenis
- ondanks moeilijkheden doorgaan met iets
Hoe spreek je volharden uit?
/vɔlˈhɑrdən/
Volharden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| l | land |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van volharden
volhardenhele werkwoord — volharddeverleden tijd enkelvoud — volharddenverleden tijd meervoud — volhardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | volhard | volhardde |
| jij | volhardt | volhardde |
| hij, zij, het | volhardt | volhardde |
| wij | volharden | volhardden |
| jullie | volharden | volhardden |
| zij | volharden | volhardden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had volhard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had volhard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had volhard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden volhard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden volhard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden volhard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt volhard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben volhard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft volhard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben volhard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te volharden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen volharden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| volhard | gebiedende wijs |
| volhard | verleden tijd, deelwoord |
| volhard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| volhard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| volhardde | verleden tijd |
| volharde | aanvoegende wijs |
| volhardend | onvoltooid, deelwoord |
| zal volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt volhard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt volharden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen volharden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult volhard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult volharden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doorgaan met’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van volharden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| volhard | voltooid deelwoord | volharden |
| volhardde | verleden tijd | volharden |
| volhardden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | volharden |
| volharde | aanvoegende wijs | volharden |
| volhardt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | volharden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volharden zijn vastgelegd.