ontgraven
werkwoordBetekenis
- door graven tevoorschijn brengen
Vervoeging van ontgraven
ontgravenhele werkwoord — ontgroefverleden tijd enkelvoud — ontgroevenverleden tijd meervoud — ontgravenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgraaf | ontgroef |
| jij | ontgraaft | ontgroef |
| hij, zij, het | ontgraaft | ontgroef |
| wij | ontgraven | ontgroeven |
| jullie | ontgraven | ontgroeven |
| zij | ontgraven | ontgroeven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgraaf | gebiedende wijs |
| ontgrave | aanvoegende wijs |
| ontgraven | verleden tijd, deelwoord |
| ontgraven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgraven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgravend | onvoltooid, deelwoord |
| ontgroef | verleden tijd |
| te hebben ontgraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontgraven
Vervoeging van ontgraven
ontgravenhele werkwoord — ontgroefverleden tijd enkelvoud — ontgroevenverleden tijd meervoud — ontgravenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgraaf | ontgroef |
| jij | ontgraaft | ontgroef |
| hij, zij, het | ontgraaft | ontgroef |
| wij | ontgraven | ontgroeven |
| jullie | ontgraven | ontgroeven |
| zij | ontgraven | ontgroeven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgraaf | gebiedende wijs |
| ontgrave | aanvoegende wijs |
| ontgraven | verleden tijd, deelwoord |
| ontgraven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgraven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgravend | onvoltooid, deelwoord |
| ontgroef | verleden tijd |
| te hebben ontgraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontgraven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontgraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van graven met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontgraven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontgraaf | gebiedende wijs | ontgraven |
| ontgraaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontgraven |
| ontgrave | aanvoegende wijs | ontgraven |
| ontgravend | onvoltooid deelwoord | ontgraven |
| ontgravende | woordvorm | ontgraven |
| ontgroef | verleden tijd | ontgraven |
| ontgroeven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontgraven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgraven zijn vastgelegd.