Naar de inhoud

ontgrendelen

een vergrendeling verwijderen

ontgrendelen

werkwoord ɔntˈxrɛndələ(n)

Betekenis

  1. een vergrendeling verwijderen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je ontgrendelen uit?

/ɔntˈxrɛndələn/

Ontgrendelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈxrɛndələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
x acht
r rood
ɛ bed
d dak
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontgrendelen

ontgrendelenhele werkwoord — ontgrendeldeverleden tijd enkelvoud — ontgrendeldenverleden tijd meervoud — ontgrendeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontgrendel ontgrendelde
jij ontgrendelt ontgrendelde
hij, zij, het ontgrendelt ontgrendelde
wij ontgrendelen ontgrendelden
jullie ontgrendelen ontgrendelden
zij ontgrendelen ontgrendelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontgrendeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontgrendeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontgrendeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontgrendeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontgrendeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontgrendeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontgrendeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontgrendeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontgrendeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontgrendeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontgrendeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontgrendeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontgrendeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontgrendel gebiedende wijs
ontgrendeld verleden tijd, deelwoord
ontgrendeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontgrendeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontgrendeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgrendeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgrendeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgrendeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontgrendeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontgrendeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgrendeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgrendeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgrendelde verleden tijd
ontgrendele aanvoegende wijs
ontgrendelend onvoltooid, deelwoord
te hebben ontgrendeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontgrendelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontgrendelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontgrendeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontgrendeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontgrendeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontgrendeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontgrendeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontgrendeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontgrendeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt ontgrendeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontgrendeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontgrendelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult ontgrendeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontgrendeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontgrendeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontgrendelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van grendelen met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontgrendelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontgrendel gebiedende wijs ontgrendelen
ontgrendeld voltooid deelwoord ontgrendelen
ontgrendelde verleden tijd ontgrendelen
ontgrendelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontgrendelen
ontgrendele aanvoegende wijs ontgrendelen
ontgrendelend onvoltooid deelwoord ontgrendelen
ontgrendelende woordvorm ontgrendelen
ontgrendelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontgrendelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgrendelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontgrendelen

Hoe spreek je ontgrendelen uit?
De uitspraak van ontgrendelen is: /ɔntˈxrɛndələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent ontgrendelen?
Ontgrendelen is een werkwoord. Het woord betekent: een vergrendeling verwijderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ontgrendelen?
Je vervoegt ontgrendelen als volgt: de tegenwoordige tijd is ontgrendel, de verleden tijd is ontgrendelde en het voltooid deelwoord is ontgrendeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontgrendelen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontgrendelen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. L 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 zonder bonus
  14. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontgrendelen in het kort

ontgrendelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ontgrendelen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ontgrendelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ontgrendelen: een vergrendeling verwijderen
Deel ontgrendelen — standaardnederlands.nl