Naar de inhoud

ontgeven

weigeren, afwijzen

ontgeven

werkwoord

Betekenis

  1. weigeren, afwijzen
  2. iets opgeven, zich tegen iets verzetten, afstand van iets doen, verwerpen

Vervoeging van ontgeven

ontgevenhele werkwoord — ontgafverleden tijd enkelvoud — ontgavenverleden tijd meervoud — ontgevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontgeef ontgaf
jij ontgeeft ontgaaft
hij, zij, het ontgeeft ontgaf
wij ontgeven ontgaven
jullie ontgeven ontgaven
zij ontgeven ontgaven
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontgeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontgeven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontgeven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontgeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontgeven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontgeven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontgeven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontgeven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontgeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontgeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontgeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontgeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontgeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontgaaft u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontgaaft u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontgaf verleden tijd
ontgaf je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontgaf me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontgaf zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontgaf zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontgaf zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontgaven je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontgaven ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontgaven zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ontgeef gebiedende wijs
ontgeef me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontgeef u/je , ontgeeft je gebiedende wijs
ontgeeft je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontgeeft u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontgeeft u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontgeeft zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontgeeft zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontgeeft zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontgeve aanvoegende wijs
ontgeve zich aanvoegende wijs
ontgeven verleden tijd, deelwoord
ontgeven je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontgeven ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontgeven te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontgeven te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontgeven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgeven te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgeven te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontgeven worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontgeven zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontgeven zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontgeven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgeven zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgeven zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontgevend onvoltooid, deelwoord
te hebben ontgeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontgeven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontgeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontgeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontgeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontgeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontgeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontgeven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontgeven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontgeven eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontgeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontgeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontgeven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontgeven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontgeven derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontgeven tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontgeven hebben verleden tijd
zich ontgevend onvoltooid, deelwoord
zijn ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontgeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontgeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontgeven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontgeven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontgeven tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontgeven eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontgeven aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Afgeleid van geven met het voorvoegsel ont-.

Woordfamilie van ontgeven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontgaf verleden tijd ontgeven
ontgaven aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontgeven
ontgeef gebiedende wijs ontgeven
ontgeeft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontgeven
ontgeve aanvoegende wijs ontgeven
ontgevend onvoltooid deelwoord ontgeven
ontgevende woordvorm ontgeven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgeven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontgeven

Wat is de betekenis van ontgeven?
Ontgeven is een werkwoord. De betekenis is: weigeren, afwijzen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontgeven?
Zo vervoeg je ontgeven zo: de tegenwoordige tijd is ontgeef, de verleden tijd is ontgaf en het voltooid deelwoord is ontgeven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontgeven is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontgeven levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontgeven in het kort

ontgeven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontgeven staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontgeven bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontgeven: weigeren, afwijzen
Deel ontgeven — standaardnederlands.nl