ontgeven
werkwoordBetekenis
- weigeren, afwijzen
- iets opgeven, zich tegen iets verzetten, afstand van iets doen, verwerpen
Vervoeging van ontgeven
ontgevenhele werkwoord — ontgafverleden tijd enkelvoud — ontgavenverleden tijd meervoud — ontgevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgeef | ontgaf |
| jij | ontgeeft | ontgaaft |
| hij, zij, het | ontgeeft | ontgaf |
| wij | ontgeven | ontgaven |
| jullie | ontgeven | ontgaven |
| zij | ontgeven | ontgaven |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontgeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontgeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontgeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontgeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontgeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontgeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontgeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontgeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgaaft u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontgaaft u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontgaf | verleden tijd |
| ontgaf je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontgaf me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontgaf zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontgaf zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontgaf zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontgaven je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontgaven ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontgaven zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontgeef | gebiedende wijs |
| ontgeef me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontgeef u/je , ontgeeft je | gebiedende wijs |
| ontgeeft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontgeeft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontgeeft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontgeeft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontgeeft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontgeeft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontgeve | aanvoegende wijs |
| ontgeve zich | aanvoegende wijs |
| ontgeven | verleden tijd, deelwoord |
| ontgeven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontgeven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontgeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgeven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontgeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontgeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontgeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontgeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontgeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontgeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontgeven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontgeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontgeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontgeven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontgeven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontgeven hebben | verleden tijd |
| zich ontgevend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontgeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontgeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontgeven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontgeven | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van geven met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontgaf | verleden tijd | ontgeven |
| ontgaven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontgeven |
| ontgeef | gebiedende wijs | ontgeven |
| ontgeeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontgeven |
| ontgeve | aanvoegende wijs | ontgeven |
| ontgevend | onvoltooid deelwoord | ontgeven |
| ontgevende | woordvorm | ontgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgeven zijn vastgelegd.