ontbossen
werkwoordBetekenis
- een gebied ontdoen van het erop groeiende woud
Vervoeging van ontbossen
ontbossenhele werkwoord — ontbosteverleden tijd enkelvoud — ontbostenverleden tijd meervoud — ontbostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontbos | ontboste |
| jij | ontbost | ontboste |
| hij, zij, het | ontbost | ontboste |
| wij | ontbossen | ontbosten |
| jullie | ontbossen | ontbosten |
| zij | ontbossen | ontbosten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ontbost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontbost | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontbost | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontbost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontbost worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontbost zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontbost worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontbost zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontbost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontbost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontbost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontbost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontbost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontbost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontbost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontbos | gebiedende wijs |
| ontbosse | aanvoegende wijs |
| ontbossend | onvoltooid, deelwoord |
| ontbost | verleden tijd, deelwoord |
| ontbost te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontbost te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontbost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbost te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbost te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbost worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontbost zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontbost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbost zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbost zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontboste | verleden tijd |
| te hebben ontbost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontbossen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontbossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren ontbost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontbost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontbost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ontbost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ontbost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontbost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontbost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontbost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontbost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontbost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontbost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontbost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontbossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontbossen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontbost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bos met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontbossen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontbos | gebiedende wijs | ontbossen |
| ontbosse | aanvoegende wijs | ontbossen |
| ontbossend | onvoltooid deelwoord | ontbossen |
| ontbossende | woordvorm | ontbossen |
| ontbost | voltooid deelwoord | ontbossen |
| ontboste | verleden tijd | ontbossen |
| ontbosten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontbossen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbossen zijn vastgelegd.