ontboezemen
werkwoordBetekenis
- uit het gemoed (de boezem) loslaten, slaken
Vervoeging van ontboezemen
ontboezemenhele werkwoord — ontboezemdeverleden tijd enkelvoud — ontboezemdenverleden tijd meervoud — ontboezemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontboezem | ontboezemde |
| jij | ontboezemt | ontboezemde |
| hij, zij, het | ontboezemt | ontboezemde |
| wij | ontboezemen | ontboezemden |
| jullie | ontboezemen | ontboezemden |
| zij | ontboezemen | ontboezemden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontboezemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontboezemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontboezemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontboezemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontboezemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontboezemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontboezemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontboezemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontboezemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontboezem | gebiedende wijs |
| ontboezemd | verleden tijd, deelwoord |
| ontboezemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontboezemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontboezemde | verleden tijd |
| ontboezeme | aanvoegende wijs |
| ontboezemend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontboezemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontboezemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontboezemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontboezemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontboezemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontboezemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontboezemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van boezem met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontboezemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontboezem | gebiedende wijs | ontboezemen |
| ontboezemd | voltooid deelwoord | ontboezemen |
| ontboezemde | verleden tijd | ontboezemen |
| ontboezemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontboezemen |
| ontboezeme | aanvoegende wijs | ontboezemen |
| ontboezemend | onvoltooid deelwoord | ontboezemen |
| ontboezemende | woordvorm | ontboezemen |
| ontboezemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontboezemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontboezemen zijn vastgelegd.