ontaarden
werkwoordBetekenis
- overgaan in iets verkeerds
Vervoeging van ontaarden
ontaardenhele werkwoord — ontaarddeverleden tijd enkelvoud — ontaarddenverleden tijd meervoud — ontaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontaard | ontaardde |
| jij | ontaardt | ontaardde |
| hij, zij, het | ontaardt | ontaardde |
| wij | ontaarden | ontaardden |
| jullie | ontaarden | ontaardden |
| zij | ontaarden | ontaardden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontaard | gebiedende wijs |
| ontaard | verleden tijd, deelwoord |
| ontaard te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontaard zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontaardde | verleden tijd |
| ontaarde | aanvoegende wijs |
| ontaardend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontaarden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontaarden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontaarden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het werkwoord aarden met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontaarden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontaardde | verleden tijd | ontaarden |
| ontaardden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontaarden |
| ontaardend | onvoltooid deelwoord | ontaarden |
| ontaardende | woordvorm | ontaarden |
| ontaardt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontaarden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontaarden zijn vastgelegd.