ontaard
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- zijn ware aard verloren hebbend (en als zodanig afkeurenswaardig)
- ontaarden
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ontaarde | verbogen, stellende trap |
| ontaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| ontaardere | verbogen, vergrotende trap |
| ontaarders | partitief, vergrotende trap |
| ontaards | partitief, stellende trap |
| ontaardst | onverbogen, overtreffende trap |
| ontaardste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontaarden
- gebiedende wijs van ontaarden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontaarden
- voltooid deelwoord van ontaarden
Vervoeging van ontaard
ontaardhele werkwoord
Herkomst
*vervoeging van ontaarden: de stam zonder -d omdat de stam al op -d eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel
Woordfamilie van ontaard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontaarder | vergrotende trap | ontaard |
| ontaardere | verbogen vergrotende trap | ontaard |
| ontaarders | partitieve vergrotende trap | ontaard |
| ontaards | partitive, positive | ontaard |
| ontaardst | uninflected, superlative | ontaard |
| ontaardste | inflected, superlative | ontaard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontaard zijn vastgelegd.