omverschieten
werkwoordBetekenis
- door schieten omgooien
Vervoeging van omverschieten
omverschietenhele werkwoord — schoot omververleden tijd enkelvoud — schoten omververleden tijd meervoud — omvergeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet omver | schoot omver |
| jij | schiet omver | schoot omver |
| hij, zij, het | schiet omver | schoot omver |
| wij | schieten omver | schoten omver |
| jullie | schieten omver | schoten omver |
| zij | schieten omver | schoten omver |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omvergeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omvergeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omvergeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omvergeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omvergeschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omvergeschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omvergeschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omvergeschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omvergeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omver te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omver te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omver zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omver zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omver zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omver zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omver zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omvergeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| omvergeschoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omvergeschoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omvergeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergeschoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergeschoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omvergeschoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omvergeschoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omvergeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvergeschoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omvergeschoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omverschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omverschietend | onvoltooid, deelwoord |
| omverschoot | bijzin, verleden tijd |
| omverschoten | bijzin, verleden tijd |
| schiet omver | gebiedende wijs |
| schoot omver | verleden tijd |
| te hebben omvergeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omverschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omvergeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omvergeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omvergeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omvergeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omverschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omvergeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omverschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omverschieten omver zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omverschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omvergeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omvergeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omverschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omvergeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omvergeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omvergeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omverschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omverschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omverschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult omvergeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omvergeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van omver en schieten
Woordfamilie van omverschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omvergeschoten | voltooid deelwoord | omverschieten |
| omverschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omverschieten |
| omverschiete | with-subordinate-clause | omverschieten |
| omverschietend | onvoltooid deelwoord | omverschieten |
| omverschietende | woordvorm | omverschieten |
| omverschoot | subordinate-clause, verleden tijd | omverschieten |
| omverschoten | subordinate-clause, verleden tijd | omverschieten |
| schiet omver | gebiedende wijs | omverschieten |
| schiete omver | woordvorm | omverschieten |
| schieten omver | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omverschieten |
| schoot omver | verleden tijd | omverschieten |
| schoten omver | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omverschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omverschieten zijn vastgelegd.