Naar de inhoud

omvangen

omvatten

omvangen is meer dan één woord

omvangen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. omvatten

Vervoeging van omvangen

omvangenhele werkwoord — omvingverleden tijd enkelvoud — omvingenverleden tijd meervoud — omvangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik omvang omving
jij omvangt omving
hij, zij, het omvangt omving
wij omvangen omvingen
jullie omvangen omvingen
zij omvangen omvingen
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had omvangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omvangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omvangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omvangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omvangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omvangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omvangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omvangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omvangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
omvang gebiedende wijs
omvange aanvoegende wijs
omvangen verleden tijd, deelwoord
omvangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omvangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omvangend onvoltooid, deelwoord
omving verleden tijd
te hebben omvangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te omvangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omvangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt omvangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omvangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen omvangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult omvangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omvangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord omvang

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van omvangen

Vervoeging van omvangen

omvangenhele werkwoord

Herkomst

*vervoeging van omvangen: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Woordfamilie van omvangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omvange aanvoegende wijs omvangen
omvangend onvoltooid deelwoord omvangen
omvangende woordvorm omvangen
omvangt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omvangen
omving verleden tijd omvangen
omvingen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omvangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omvangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omvangen

Wat is de betekenis van omvangen?
Omvangen is een werkwoord. De betekenis is: omvatten.
Hoe vervoeg ik omvangen?
Zo vervoeg je omvangen zo: de tegenwoordige tijd is omvang, de verleden tijd is omving en het voltooid deelwoord is omvangen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omvangen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omvangen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omvangen in het kort

omvangen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van omvangen staan er 31 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omvangen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omvangen: omvatten
Deel omvangen — standaardnederlands.nl