omlopen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- via een omweg lopen
- de hele kring om een middelpunt doorlopen
- omverlopen
werkwoord
- Met stromend water als subject, en een ruimte (land, streek, stad enz.) als object. Ze lopend omgeven, er om heen lopen. (zeer ongebruikelijk) transitive
Vervoeging van omlopen
omlopenhele werkwoord — liep omverleden tijd enkelvoud — liepen omverleden tijd meervoud — omgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop om | liep om |
| jij | loopt om | liep om |
| hij, zij, het | loopt om | liep om |
| wij | lopen om | liepen om |
| jullie | lopen om | liepen om |
| zij | lopen om | liepen om |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep om | verleden tijd |
| loop om | gebiedende wijs |
| om te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| omgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| omgelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omliep | verleden tijd |
| omliep | bijzin, verleden tijd |
| omliepen | bijzin, verleden tijd |
| omloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omlopen | verleden tijd, deelwoord |
| omlopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omlopen om zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord omloop
Woordvorm
- voltooid deelwoord van omlopen
Vervoeging van omlopen
omlopenhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van om en lopen
Woordfamilie van omlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep om | verleden tijd | omlopen |
| liepen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omlopen |
| loop om | gebiedende wijs | omlopen |
| loopt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omlopen |
| lope om | woordvorm | omlopen |
| lopen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omlopen |
| omgelopen | voltooid deelwoord | omlopen |
| omliep | subordinate-clause, verleden tijd | omlopen |
| omliepen | subordinate-clause, verleden tijd | omlopen |
| omloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omlopen |
| omlope | with-subordinate-clause | omlopen |
| omlopend | onvoltooid deelwoord | omlopen |
| omlopende | woordvorm | omlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omlopen zijn vastgelegd.