Naar de inhoud

omlopen

via een omweg lopen

omlopen is meer dan één woord

omlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. via een omweg lopen
  2. de hele kring om een middelpunt doorlopen
  3. omverlopen

werkwoord

  1. Met stromend water als subject, en een ruimte (land, streek, stad enz.) als object. Ze lopend omgeven, er om heen lopen. (zeer ongebruikelijk) transitive

Vervoeging van omlopen

omlopenhele werkwoord — liep omverleden tijd enkelvoud — liepen omverleden tijd meervoud — omgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop om liep om
jij loopt om liep om
hij, zij, het loopt om liep om
wij lopen om liepen om
jullie lopen om liepen om
zij lopen om liepen om
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep om verleden tijd
loop om gebiedende wijs
om te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal lopen bijzin, toekomende tijd
om zou lopen bijzin, voorwaardelijk
om zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
om zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen lopen bijzin, toekomende tijd
om zult lopen bijzin, toekomende tijd
omgelopen verleden tijd, deelwoord
omgelopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgelopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgelopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgelopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgelopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgelopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgelopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgelopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omliep verleden tijd
omliep bijzin, verleden tijd
omliepen bijzin, verleden tijd
omloop bijzin, tegenwoordige tijd
omloopt bijzin, tegenwoordige tijd
omlopen verleden tijd, deelwoord
omlopend onvoltooid, deelwoord
te hebben omgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omlopen bijzin, toekomende tijd
zijn omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omlopen om zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord omloop

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van omlopen

Vervoeging van omlopen

omlopenhele werkwoord

Herkomst

samenstelling van om en lopen

Woordfamilie van omlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep om verleden tijd omlopen
liepen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omlopen
loop om gebiedende wijs omlopen
loopt om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omlopen
lope om woordvorm omlopen
lopen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omlopen
omgelopen voltooid deelwoord omlopen
omliep subordinate-clause, verleden tijd omlopen
omliepen subordinate-clause, verleden tijd omlopen
omloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omlopen
omlope with-subordinate-clause omlopen
omlopend onvoltooid deelwoord omlopen
omlopende woordvorm omlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omlopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over omlopen

Wat betekent omlopen?
Omlopen is een werkwoord. Het woord betekent: via een omweg lopen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je omlopen?
Je vervoegt omlopen als volgt: het voltooid deelwoord is omgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omlopen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. L 3
  4. O 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omlopen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. L 3
  4. O 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

omlopen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

omlopen in het kort

omlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van omlopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omlopen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omlopen: via een omweg lopen
Deel omlopen — standaardnederlands.nl