omtrek
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔmtrɛkBetekenis
- de lengte van een gesloten kromme
- grenslijn.
- omvang van een lichaam
- het gebied rondom een bepaalde plaats
Hoe spreek je omtrek uit?
/ˈɔmtrɛk/
Omtrek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| omtrekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| omtrekjes | verkleinwoord, meervoud |
| omtrekken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
- gebiedende wijs van omtrekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omtrekken
Vervoeging van omtrek
omtrekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘hoofdlijn die grenzen van een figuur bepaalt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586
Woordfamilie van omtrek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omtrekje | verkleinwoord | omtrek |
| omtrekjes | verkleinwoord meervoud | omtrek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omtrek zijn vastgelegd.