Naar de inhoud

omkieperen

omverwerpen zodat de inhoud vrijkomt

omkieperen

werkwoord

Betekenis

  1. omverwerpen zodat de inhoud vrijkomt
  2. omvergaan zodat de inhoud vrijkomt
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van omkieperen

omkieperenhele werkwoord — kieperde omverleden tijd enkelvoud — kieperden omverleden tijd meervoud — omgekieperdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kieper om kieperde om
jij kiepert om kieperde om
hij, zij, het kiepert om kieperde om
wij kieperen om kieperden om
jullie kieperen om kieperden om
zij kieperen om kieperden om
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had omgekieperd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgekieperd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgekieperd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgekieperd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgekieperd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgekieperd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgekieperd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgekieperd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgekieperd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kieper om gebiedende wijs
kieperde om verleden tijd
om te kieperen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen kieperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal kieperen bijzin, toekomende tijd
om zou kieperen bijzin, voorwaardelijk
om zouden kieperen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt kieperen bijzin, voorwaardelijk
om zullen kieperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen kieperen bijzin, toekomende tijd
om zult kieperen bijzin, toekomende tijd
omgekieperd verleden tijd, deelwoord
omgekieperd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgekieperd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omkieper bijzin, tegenwoordige tijd
omkieperde bijzin, verleden tijd
omkieperden bijzin, verleden tijd
omkieperend onvoltooid, deelwoord
omkiepert bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben omgekieperd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omkieperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omkieperen bijzin, toekomende tijd
zou omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omkieperen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omkieperen om zou(dt) kieperen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omkieperen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgekieperd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omkieperen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omkieperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omkieperen bijzin, toekomende tijd
zult omgekieperd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omkieperen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omkieperen bijzin, toekomende tijd
zult/zal omkieperen om zult/zal kieperen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van om bw en kieperen ww

Woordfamilie van omkieperen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kieper om gebiedende wijs omkieperen
kieperde om verleden tijd omkieperen
kieperden om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omkieperen
kiepere om woordvorm omkieperen
kieperen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omkieperen
kiepert om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omkieperen
omgekieperd voltooid deelwoord omkieperen
omgekieperde woordvorm omkieperen
omkieper subordinate-clause, tegenwoordige tijd omkieperen
omkieperde subordinate-clause, verleden tijd omkieperen
omkieperden subordinate-clause, verleden tijd omkieperen
omkiepere with-subordinate-clause omkieperen
omkieperend onvoltooid deelwoord omkieperen
omkieperende woordvorm omkieperen
omkiepert subordinate-clause, tegenwoordige tijd omkieperen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omkieperen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omkieperen

Wat is de betekenis van omkieperen?
Omkieperen is een werkwoord. De betekenis is: omverwerpen zodat de inhoud vrijkomt. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik omkieperen?
Zo vervoeg je omkieperen zo: het voltooid deelwoord is omgekieperd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omkieperen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. K 3
  4. I 1
  5. E 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omkieperen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. K 3
  4. I 2
  5. E 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omkieperen in het kort

omkieperen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van omkieperen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omkieperen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omkieperen: omverwerpen zodat de inhoud vrijkomt
Deel omkieperen — standaardnederlands.nl