omkijken
werkwoord ˈɔmkɛikə(n)Betekenis
- naar achteren kijken
- naar ~: interesse tonen en verzorgen
Hoe spreek je omkijken uit?
/ˈɔmkɛikən/
Omkijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| k | kat |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omkijken
omkijkenhele werkwoord — keek omverleden tijd enkelvoud — keken omverleden tijd meervoud — omgekekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kijk om | keek om |
| jij | kijkt om | keek om |
| hij, zij, het | kijkt om | keek om |
| wij | kijken om | keken om |
| jullie | kijken om | keken om |
| zij | kijken om | keken om |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgekeken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgekeken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgekeken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgekeken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| keek om | verleden tijd |
| kijk om | gebiedende wijs |
| om te kijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
| om zou kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen kijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen kijken | bijzin, toekomende tijd |
| om zult kijken | bijzin, toekomende tijd |
| omgekeken | verleden tijd, deelwoord |
| omgekeken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgekeken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omkeek | bijzin, verleden tijd |
| omkeekt | bijzin, verleden tijd |
| omkeken | bijzin, verleden tijd |
| omkijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omkijkend | onvoltooid, deelwoord |
| omkijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben omgekeken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zou omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omkijken om zou(dt) kijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgekeken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omkijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omkijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgekeken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omkijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omkijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omkijken om zult/zal kijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van om bw en kijken ww
Woordfamilie van omkijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keek om | verleden tijd | omkijken |
| keken om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omkijken |
| kijk om | gebiedende wijs | omkijken |
| kijke om | woordvorm | omkijken |
| kijken om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omkijken |
| kijkt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omkijken |
| omgekeken | voltooid deelwoord | omkijken |
| omkeek | subordinate-clause, verleden tijd | omkijken |
| omkeken | subordinate-clause, verleden tijd | omkijken |
| omkijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omkijken |
| omkijke | with-subordinate-clause | omkijken |
| omkijkend | onvoltooid deelwoord | omkijken |
| omkijkende | woordvorm | omkijken |
| omkijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omkijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omkijken zijn vastgelegd.