omhoogzitten
werkwoordBetekenis
- in moeilijkheden verkeren
Vervoeging van omhoogzitten
omhoogzittenhele werkwoord — zat omhoogverleden tijd enkelvoud — zaten omhoogverleden tijd meervoud — omhooggezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit omhoog | zat omhoog |
| jij | zit omhoog | zat omhoog |
| hij, zij, het | zit omhoog | zat omhoog |
| wij | zitten omhoog | zaten omhoog |
| jullie | zitten omhoog | zaten omhoog |
| zij | zitten omhoog | zaten omhoog |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omhooggezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omhooggezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omhooggezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omhoog te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omhoog te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omhoog zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| omhoog zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omhoog zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| omhoog zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| omhooggezeten | verleden tijd, deelwoord |
| omhooggezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omhooggezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omhoogzat | bijzin, verleden tijd |
| omhoogzaten | bijzin, verleden tijd |
| omhoogzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omhoogzittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omhooggezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omhoogzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omhoogzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat omhoog | verleden tijd |
| zit omhoog | gebiedende wijs |
| zou omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omhoogzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omhoogzitten omhoog zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omhoogzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omhooggezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omhoogzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omhoogzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omhoogzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult omhooggezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omhoogzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omhoogzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omhoogzitten omhoog zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van omhoog en zitten
Woordfamilie van omhoogzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omhooggezeten | voltooid deelwoord | omhoogzitten |
| omhoogzat | subordinate-clause, verleden tijd | omhoogzitten |
| omhoogzaten | subordinate-clause, verleden tijd | omhoogzitten |
| omhoogzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omhoogzitten |
| omhoogzitte | with-subordinate-clause | omhoogzitten |
| omhoogzittend | onvoltooid deelwoord | omhoogzitten |
| omhoogzittende | woordvorm | omhoogzitten |
| zat omhoog | verleden tijd | omhoogzitten |
| zaten omhoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omhoogzitten |
| zit omhoog | gebiedende wijs | omhoogzitten |
| zitte omhoog | woordvorm | omhoogzitten |
| zitten omhoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omhoogzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omhoogzitten zijn vastgelegd.