Naar de inhoud

omhoogvliegen

naar boven vliegen

omhoogvliegen

werkwoord

Betekenis

  1. naar boven vliegen
  2. in de hoogte gedreven worden

Vervoeging van omhoogvliegen

omhoogvliegenhele werkwoord — vloog omhoogverleden tijd enkelvoud — vlogen omhoogverleden tijd meervoud — omhooggevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg omhoog vloog omhoog
jij vliegt omhoog vloog omhoog
hij, zij, het vliegt omhoog vloog omhoog
wij vliegen omhoog vlogen omhoog
jullie vliegen omhoog vlogen omhoog
zij vliegen omhoog vlogen omhoog
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
omhoog te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omhoog te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omhoog zal vliegen bijzin, toekomende tijd
omhoog zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omhoog zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
omhoog zult vliegen bijzin, toekomende tijd
omhooggevlogen verleden tijd, deelwoord
omhooggevlogen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omhooggevlogen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omhoogvlieg bijzin, tegenwoordige tijd
omhoogvliegend onvoltooid, deelwoord
omhoogvliegt bijzin, tegenwoordige tijd
omhoogvlogen bijzin, verleden tijd
omhoogvloog bijzin, verleden tijd
te zijn omhooggevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omhoogvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg omhoog gebiedende wijs
vloog omhoog verleden tijd
waart omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omhooggevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omhoogvliegen bijzin, toekomende tijd
zijn omhooggevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omhooggevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omhoogvliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omhoogvliegen omhoog zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omhoogvliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omhooggevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omhoogvliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omhoogvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omhoogvliegen bijzin, toekomende tijd
zult omhooggevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omhoogvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omhoogvliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal omhoogvliegen omhoog zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van omhoog en vliegen

Woordfamilie van omhoogvliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omhooggevlogen voltooid deelwoord omhoogvliegen
omhoogvlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd omhoogvliegen
omhoogvliege with-subordinate-clause omhoogvliegen
omhoogvliegend onvoltooid deelwoord omhoogvliegen
omhoogvliegende woordvorm omhoogvliegen
omhoogvliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omhoogvliegen
omhoogvlogen subordinate-clause, verleden tijd omhoogvliegen
omhoogvloog subordinate-clause, verleden tijd omhoogvliegen
vlieg omhoog gebiedende wijs omhoogvliegen
vliege omhoog woordvorm omhoogvliegen
vliegen omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omhoogvliegen
vliegt omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omhoogvliegen
vlogen omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omhoogvliegen
vloog omhoog verleden tijd omhoogvliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omhoogvliegen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over omhoogvliegen

Wat betekent omhoogvliegen?
Omhoogvliegen is een werkwoord. Het woord betekent: naar boven vliegen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je omhoogvliegen?
Je vervoegt omhoogvliegen als volgt: het voltooid deelwoord is omhooggevlogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omhoogvliegen is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. G 3
  7. V 4
  8. L 3
  9. I 1
  10. E 1
  11. G 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omhoogvliegen levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. G 3
  7. V 4
  8. L 3
  9. I 2
  10. E 1
  11. G 3
  12. E 1
  13. N 1
  14. 28 zonder bonus
  15. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omhoogvliegen in het kort

omhoogvliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van omhoogvliegen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omhoogvliegen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omhoogvliegen: naar boven vliegen
Deel omhoogvliegen — standaardnederlands.nl