omhoogschieten
werkwoord /ɔm'ɦoxsxitə(n)/Betekenis
- met grote snelheid omhooggaan of toenemen
- in opwaartse richting afschieten
Hoe spreek je omhoogschieten uit?
/ɔmˈhoxsxitən/
Omhoogschieten bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| h | hoed |
| o | boot |
| x | acht |
| s | sok |
| i | riet |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omhoogschieten
omhoogschietenhele werkwoord — schoot omhoogverleden tijd enkelvoud — schoten omhoogverleden tijd meervoud — omhooggeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet omhoog | schoot omhoog |
| jij | schiet omhoog | schoot omhoog |
| hij, zij, het | schiet omhoog | schoot omhoog |
| wij | schieten omhoog | schoten omhoog |
| jullie | schieten omhoog | schoten omhoog |
| zij | schieten omhoog | schoten omhoog |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omhooggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omhooggeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omhooggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omhoog te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omhoog te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omhoog zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omhoog zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| omhoog zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omhoog zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omhoog zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| omhooggeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| omhooggeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omhooggeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omhoogschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omhoogschietend | onvoltooid, deelwoord |
| omhoogschoot | bijzin, verleden tijd |
| omhoogschoten | bijzin, verleden tijd |
| schiet omhoog | gebiedende wijs |
| schoot omhoog | verleden tijd |
| te hebben omhooggeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omhoogschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omhoogschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omhoogschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omhoogschieten omhoog zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omhoogschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omhooggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omhoogschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omhoogschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omhoogschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult omhooggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omhoogschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omhoogschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omhoogschieten omhoog zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van omhoog bw en schieten ww
Woordfamilie van omhoogschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omhooggeschoten | voltooid deelwoord | omhoogschieten |
| omhoogschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omhoogschieten |
| omhoogschiete | with-subordinate-clause | omhoogschieten |
| omhoogschietend | onvoltooid deelwoord | omhoogschieten |
| omhoogschietende | woordvorm | omhoogschieten |
| omhoogschoot | subordinate-clause, verleden tijd | omhoogschieten |
| omhoogschoten | subordinate-clause, verleden tijd | omhoogschieten |
| schiet omhoog | gebiedende wijs | omhoogschieten |
| schiete omhoog | woordvorm | omhoogschieten |
| schieten omhoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omhoogschieten |
| schoot omhoog | verleden tijd | omhoogschieten |
| schoten omhoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omhoogschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omhoogschieten zijn vastgelegd.