Naar de inhoud

omhooglopen

naar boven lopen

omhooglopen

werkwoord

Betekenis

  1. naar boven lopen

Vervoeging van omhooglopen

omhooglopenhele werkwoord — liep omhoogverleden tijd enkelvoud — liepen omhoogverleden tijd meervoud — omhooggelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop omhoog liep omhoog
jij loopt omhoog liep omhoog
hij, zij, het loopt omhoog liep omhoog
wij lopen omhoog liepen omhoog
jullie lopen omhoog liepen omhoog
zij lopen omhoog liepen omhoog
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep omhoog verleden tijd
loop omhoog gebiedende wijs
omhoog te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omhoog te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omhoog zal lopen bijzin, toekomende tijd
omhoog zou lopen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
omhoog zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omhoog zullen lopen bijzin, toekomende tijd
omhoog zult lopen bijzin, toekomende tijd
omhooggelopen verleden tijd, deelwoord
omhooggelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omhooggelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omhoogliep bijzin, verleden tijd
omhoogliepen bijzin, verleden tijd
omhoogloop bijzin, tegenwoordige tijd
omhoogloopt bijzin, tegenwoordige tijd
omhooglopend onvoltooid, deelwoord
te zijn omhooggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omhooglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omhooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omhooggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omhooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omhooggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omhooggelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omhooggelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omhooggelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omhooglopen bijzin, toekomende tijd
zijn omhooggelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omhooggelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omhooglopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omhooglopen omhoog zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omhooglopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omhooggelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omhooglopen bijzin, voorwaardelijk
zullen omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omhooglopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omhooglopen bijzin, toekomende tijd
zult omhooggelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omhooglopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omhooglopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal omhooglopen omhoog zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van omhoog en lopen

Woordfamilie van omhooglopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep omhoog verleden tijd omhooglopen
liepen omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omhooglopen
loop omhoog gebiedende wijs omhooglopen
loopt omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omhooglopen
lope omhoog woordvorm omhooglopen
lopen omhoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omhooglopen
omhooggelopen voltooid deelwoord omhooglopen
omhoogliep subordinate-clause, verleden tijd omhooglopen
omhoogliepen subordinate-clause, verleden tijd omhooglopen
omhoogloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd omhooglopen
omhoogloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omhooglopen
omhooglope with-subordinate-clause omhooglopen
omhooglopend onvoltooid deelwoord omhooglopen
omhooglopende woordvorm omhooglopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omhooglopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omhooglopen

Wat betekent omhooglopen?
Omhooglopen is een werkwoord. Het woord betekent: naar boven lopen.
Hoe vervoeg je omhooglopen?
Je vervoegt omhooglopen als volgt: het voltooid deelwoord is omhooggelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omhooglopen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. G 3
  7. L 3
  8. O 1
  9. P 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omhooglopen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. H 4
  4. O 1
  5. O 1
  6. G 3
  7. L 3
  8. O 1
  9. P 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omhooglopen in het kort

omhooglopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van omhooglopen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omhooglopen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omhooglopen: naar boven lopen
Deel omhooglopen — standaardnederlands.nl