neerzitten
werkwoordBetekenis
- gaan zitten
- gezeten zijn, zitten
Vervoeging van neerzitten
neerzittenhele werkwoord — zat neerverleden tijd enkelvoud — zaten neerverleden tijd meervoud — neergezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit neer | zat neer |
| jij | zit neer | zat neer |
| hij, zij, het | zit neer | zat neer |
| wij | zitten neer | zaten neer |
| jullie | zitten neer | zaten neer |
| zij | zitten neer | zaten neer |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| neergezeten | verleden tijd, deelwoord |
| neergezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerzat | bijzin, verleden tijd |
| neerzaten | bijzin, verleden tijd |
| neerzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerzittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben neergezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat neer | verleden tijd |
| zit neer | gebiedende wijs |
| zou neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerzitten neer zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neerzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult neerzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal neerzitten neer zult/zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van neer en zitten
Woordfamilie van neerzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergezeten | voltooid deelwoord | neerzitten |
| neerzat | subordinate-clause, verleden tijd | neerzitten |
| neerzaten | subordinate-clause, verleden tijd | neerzitten |
| neerzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzitten |
| neerzitte | with-subordinate-clause | neerzitten |
| neerzittend | onvoltooid deelwoord | neerzitten |
| neerzittende | woordvorm | neerzitten |
| zat neer | verleden tijd | neerzitten |
| zaten neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerzitten |
| zit neer | gebiedende wijs | neerzitten |
| zitte neer | woordvorm | neerzitten |
| zitten neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerzitten zijn vastgelegd.