neerzien
werkwoord ˈnerzinBetekenis
- naar beneden kijken
Hoe spreek je neerzien uit?
/ˈnerzin/
Neerzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| z | zon |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van neerzien
neerzienhele werkwoord — zag neerverleden tijd enkelvoud — zagen neerverleden tijd meervoud — neergezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie neer | zag neer |
| jij | ziet neer | zaagt neer |
| hij, zij, het | ziet neer | zag neer |
| wij | zien neer | zagen neer |
| jullie | zien neer | zagen neer |
| zij | zien neer | zagen neer |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had neergezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had neergezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had neergezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden neergezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden neergezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden neergezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt neergezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft neergezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| neergezien | verleden tijd, deelwoord |
| neergezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerzaagt | bijzin, verleden tijd |
| neerzag | bijzin, verleden tijd |
| neerzagen | bijzin, verleden tijd |
| neerzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerziend | onvoltooid, deelwoord |
| neerziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben neergezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zag neer | verleden tijd |
| zal neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie neer | gebiedende wijs |
| zou neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerzien neer zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neerzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult neerzien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal neerzien neer zult/zal zien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van neer en zien
Woordfamilie van neerzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergezien | voltooid deelwoord | neerzien |
| neerzag | subordinate-clause, verleden tijd | neerzien |
| neerzagen | subordinate-clause, verleden tijd | neerzien |
| neerzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzien |
| neerziend | onvoltooid deelwoord | neerzien |
| neerziende | woordvorm | neerzien |
| neerziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerzien |
| zag neer | verleden tijd | neerzien |
| zagen neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerzien |
| zie neer | gebiedende wijs | neerzien |
| zien neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerzien |
| ziet neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | neerzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerzien zijn vastgelegd.