muteren
werkwoordBetekenis
- veranderen
- overgaan van een stem van het ene op het andere hexachord
- een proces van toevallige verandering in een deel van het genetisch materiaal ondergaan
Vervoeging van muteren
muterenhele werkwoord — muteerdeverleden tijd enkelvoud — muteerdenverleden tijd meervoud — gemuteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | muteer | muteerde |
| jij | muteert | muteerde |
| hij, zij, het | muteert | muteerde |
| wij | muteren | muteerden |
| jullie | muteren | muteerden |
| zij | muteren | muteerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemuteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemuteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemuteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemuteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemuteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemuteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemuteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemuteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemuteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemuteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemuteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemuteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemuteerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemuteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemuteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemuteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemuteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemuteerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemuteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| muteer | gebiedende wijs |
| muteerde | verleden tijd |
| mutere | aanvoegende wijs |
| muterend | onvoltooid, deelwoord |
| te muteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gemuteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen muteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemuteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemuteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemuteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemuteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemuteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemuteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemuteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemuteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemuteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt muteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen muteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemuteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemuteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult muteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘veranderen’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van muteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| muteer | gebiedende wijs | muteren |
| muteerde | verleden tijd | muteren |
| muteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | muteren |
| muteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | muteren |
| mutere | aanvoegende wijs | muteren |
| muterend | onvoltooid deelwoord | muteren |
| muterende | woordvorm | muteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van muteren zijn vastgelegd.