mispel
zelfstandig naamwoord ˈmɪspəlBetekenis
- een vruchtenboom en drager van de mispel
- de vrucht van de mispelboom
Hoe spreek je mispel uit?
/ˈmɪspəl/
Mispel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaald soort loofboom Mespilus germanica, die inheems is in de Benelux, tot 6 meter hoog kan worden en de gelijknamige vrucht voortbrengt
- vrucht van de mispelboom, Mespilus germanica
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mispelen | meervoud |
| mispels | meervoud |
| mispeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mispeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands mispele van Oudfrans mesple, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van mispel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mispelen | meervoud | mispel |
| mispels | meervoud | mispel |
| mispeltje | verkleinwoord | mispel |
| mispeltjes | verkleinwoord meervoud | mispel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mispel zijn vastgelegd.