beuk
zelfstandig naamwoord, werkwoord bøkBetekenis
- een Europese hardhoutboom
- een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw
- een onderdeel van een kerkgebouw, schip
- een stevige duw, oplawaai, opdoffer (- ww. beuken)
- het rammen van een poort
Hoe spreek je beuk uit?
/bøk/
Beuk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort loofboom Fagus sylvatica, een Europese hardhoutboom die inheems is in de Benelux en tot 46 meter hoog kan worden Wordt ook gebruikt als (deel van de) aanduiding voor andere bomen uit het geslacht Fagus.
- middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeuken
- een stevige duw, oplawaai, opdoffer (-> ww. beuken)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beuken | meervoud |
| beukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beukjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
- gebiedende wijs van beuken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
Vervoeging van beuk
beukhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 806.
Woordfamilie van beuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beukje | verkleinwoord | beuk |
| beukjes | verkleinwoord meervoud | beuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beuk zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- beukelaar
- beuken
- beukenbos
- beukenhout
- beukenlaan
- beukennoot
- beukennootje