menen
werkwoord /menə(n)/Betekenis
- de bedoeling hebben
- serieus zijn
- denken, een mening toegedaan zijn
Hoe spreek je menen uit?
/menən/
Menen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| n | nek |
| ə | de |
werkwoord
- bedoelen obsolete, transitive
Vervoeging van menen
menenhele werkwoord — meendeverleden tijd enkelvoud — meendenverleden tijd meervoud — gemeendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meen | meende |
| jij | meent | meende |
| hij, zij, het | meent | meende |
| wij | menen | meenden |
| jullie | menen | meenden |
| zij | menen | meenden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeend | verleden tijd, deelwoord |
| gemeend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meen | gebiedende wijs |
| meende | verleden tijd |
| mene | aanvoegende wijs |
| menend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te menen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen menen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt menen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen menen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult menen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bedoelen, denken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van menen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meen | gebiedende wijs | menen |
| meende | verleden tijd | menen |
| meenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | menen |
| menend | onvoltooid deelwoord | menen |
| menende | woordvorm | menen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van menen zijn vastgelegd.