Naar de inhoud

meewerken

deelnemen aan een bepaald werk

meewerken

werkwoord

Betekenis

  1. deelnemen aan een bepaald werk
  2. geen weerstand bieden, gevolgzaam zijn

Vervoeging van meewerken

meewerkenhele werkwoord — werkte meeverleden tijd enkelvoud — werkten meeverleden tijd meervoud — meegewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk mee werkte mee
jij werkt mee werkte mee
hij, zij, het werkt mee werkte mee
wij werken mee werkten mee
jullie werken mee werkten mee
zij werken mee werkten mee
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is meegewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal werken bijzin, toekomende tijd
mee zou werken bijzin, voorwaardelijk
mee zouden werken bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt werken bijzin, voorwaardelijk
mee zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen werken bijzin, toekomende tijd
mee zult werken bijzin, toekomende tijd
meegewerkt verleden tijd, deelwoord
meegewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meewerk bijzin, tegenwoordige tijd
meewerkend onvoltooid, deelwoord
meewerkt bijzin, tegenwoordige tijd
meewerkte bijzin, verleden tijd
meewerkten bijzin, verleden tijd
te hebben meegewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
werk mee gebiedende wijs
werkte mee verleden tijd
zal meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meewerken bijzin, toekomende tijd
zou meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meewerken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meewerken mee zou(dt) werken bijzin, voorwaardelijk
zouden meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meewerken bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meewerken bijzin, voorwaardelijk
zullen meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meewerken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meewerken bijzin, toekomende tijd
zult meegewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meewerken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meewerken bijzin, toekomende tijd
zult/zal meewerken mee zult/zal werken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en werken ww

Woordfamilie van meewerken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegewerkt voltooid deelwoord meewerken
meewerk subordinate-clause, tegenwoordige tijd meewerken
meewerke with-subordinate-clause meewerken
meewerkend onvoltooid deelwoord meewerken
meewerkende woordvorm meewerken
meewerkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meewerken
meewerkte subordinate-clause, verleden tijd meewerken
meewerkten subordinate-clause, verleden tijd meewerken
werk mee gebiedende wijs meewerken
werke mee woordvorm meewerken
werken mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meewerken
werkt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meewerken
werkte mee verleden tijd meewerken
werkten mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meewerken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meewerken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meewerken

Wat betekent meewerken?
Meewerken is een werkwoord. Het woord betekent: deelnemen aan een bepaald werk. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je meewerken?
Je vervoegt meewerken als volgt: het voltooid deelwoord is meegewerkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meewerken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meewerken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meewerken in het kort

meewerken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van meewerken zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meewerken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meewerken: deelnemen aan een bepaald werk
Deel meewerken — standaardnederlands.nl