meewegen
werkwoordBetekenis
- iets samen met andere dingen wegen en ervan het totale gewicht bepalen
- iets samen met andere dingen beschouwen, bekijken bij het nemen van een beslissing
Vervoeging van meewegen
meewegenhele werkwoord — woog meeverleden tijd enkelvoud — wogen meeverleden tijd meervoud — meegewogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weeg mee | woog mee |
| jij | weegt mee | woog mee |
| hij, zij, het | weegt mee | woog mee |
| wij | wegen mee | wogen mee |
| jullie | wegen mee | wogen mee |
| zij | wegen mee | wogen mee |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is meegewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meegewogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meegewogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meegewogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meegewogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meegewogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meegewogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meegewogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te wegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal wegen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen wegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen wegen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult wegen | bijzin, toekomende tijd |
| meegewogen | verleden tijd, deelwoord |
| meegewogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegewogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| meegewogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegewogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegewogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegewogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegewogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| meegewogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegewogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meegewogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meeweeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meeweegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meewegend | onvoltooid, deelwoord |
| meewogen | bijzin, verleden tijd |
| meewoog | bijzin, verleden tijd |
| meewoogt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben meegewogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meewegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegewogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegewogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegewogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weeg mee | gebiedende wijs |
| werd meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| woog mee | verleden tijd |
| word meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt meegewogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal meegewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meewegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegewogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meewegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meewegen mee zou(dt) wegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meewegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegewogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meegewogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meewegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegewogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meegewogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meegewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegewogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meewegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meewegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meewegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en wegen ww
Woordfamilie van meewegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegewogen | voltooid deelwoord | meewegen |
| meeweeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meewegen |
| meeweegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meewegen |
| meewege | with-subordinate-clause | meewegen |
| meewegend | onvoltooid deelwoord | meewegen |
| meewegende | woordvorm | meewegen |
| meewogen | subordinate-clause, verleden tijd | meewegen |
| meewoog | subordinate-clause, verleden tijd | meewegen |
| weeg mee | gebiedende wijs | meewegen |
| weegt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meewegen |
| wege mee | woordvorm | meewegen |
| wegen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meewegen |
| wogen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meewegen |
| woog mee | verleden tijd | meewegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meewegen zijn vastgelegd.