Naar de inhoud

meewegen

iets samen met andere dingen wegen en ervan het totale gewicht bepalen

meewegen

werkwoord

Betekenis

  1. iets samen met andere dingen wegen en ervan het totale gewicht bepalen
  2. iets samen met andere dingen beschouwen, bekijken bij het nemen van een beslissing

Vervoeging van meewegen

meewegenhele werkwoord — woog meeverleden tijd enkelvoud — wogen meeverleden tijd meervoud — meegewogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik weeg mee woog mee
jij weegt mee woog mee
hij, zij, het weegt mee woog mee
wij wegen mee wogen mee
jullie wegen mee wogen mee
zij wegen mee wogen mee
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is meegewogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was meegewogen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd meegewogen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt meegewogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal meegewogen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal meegewogen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou meegewogen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou meegewogen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had meegewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te wegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal wegen bijzin, toekomende tijd
mee zou wegen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden wegen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt wegen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen wegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen wegen bijzin, toekomende tijd
mee zult wegen bijzin, toekomende tijd
meegewogen verleden tijd, deelwoord
meegewogen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegewogen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
meegewogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegewogen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegewogen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegewogen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegewogen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
meegewogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegewogen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
meegewogen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeweeg bijzin, tegenwoordige tijd
meeweegt bijzin, tegenwoordige tijd
meewegend onvoltooid, deelwoord
meewogen bijzin, verleden tijd
meewoog bijzin, verleden tijd
meewoogt bijzin, verleden tijd
te hebben meegewogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meewegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegewogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegewogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegewogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
weeg mee gebiedende wijs
werd meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt meegewogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
woog mee verleden tijd
word meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt meegewogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal meegewogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegewogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meewegen bijzin, toekomende tijd
zijn meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegewogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meewegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meewegen mee zou(dt) wegen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meewegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegewogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meegewogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meewegen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegewogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meegewogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meegewogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegewogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegewogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meewegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meewegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meewegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en wegen ww

Woordfamilie van meewegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
meegewogen voltooid deelwoord meewegen
meeweeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd meewegen
meeweegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meewegen
meewege with-subordinate-clause meewegen
meewegend onvoltooid deelwoord meewegen
meewegende woordvorm meewegen
meewogen subordinate-clause, verleden tijd meewegen
meewoog subordinate-clause, verleden tijd meewegen
weeg mee gebiedende wijs meewegen
weegt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meewegen
wege mee woordvorm meewegen
wegen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meewegen
wogen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meewegen
woog mee verleden tijd meewegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meewegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meewegen

Wat is de betekenis van meewegen?
Meewegen is een werkwoord. De betekenis is: iets samen met andere dingen wegen en ervan het totale gewicht bepalen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meewegen?
Zo vervoeg je meewegen zo: het voltooid deelwoord is meegewogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meewegen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meewegen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meewegen in het kort

meewegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meewegen staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meewegen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meewegen: iets samen met andere dingen wegen en ervan het totale gewicht bepalen
Deel meewegen — standaardnederlands.nl