meewillen
werkwoordBetekenis
- mee willen gaan
Vervoeging van meewillen
meewillenhele werkwoord — wilde meeverleden tijd enkelvoud — wilden meeverleden tijd meervoud — meegewildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wil mee | wilde mee |
| jij | wil mee | wilde mee |
| hij, zij, het | wil mee | wilde mee |
| wij | willen mee | wilden mee |
| jullie | willen mee | wilden mee |
| zij | willen mee | wilden mee |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had meegewild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meegewild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meegewild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meegewild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meegewild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meegewild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meegewild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegewild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meegewild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te willen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen willen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal willen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou willen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden willen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt willen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen willen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen willen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult willen | bijzin, toekomende tijd |
| meegewild | verleden tijd, deelwoord |
| meegewild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegewild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meewil | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meewilde | bijzin, verleden tijd |
| meewilden | bijzin, verleden tijd |
| meewillend | onvoltooid, deelwoord |
| meewilt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meewou | bijzin, verleden tijd |
| meewouden | bijzin, verleden tijd |
| te hebben meegewild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meewillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wil mee | gebiedende wijs |
| wilde mee | verleden tijd |
| wou mee | verleden tijd |
| zal meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meewillen | bijzin, toekomende tijd |
| zou meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meewillen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meewillen mee zou(dt) willen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meewillen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegewild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meewillen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meewillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meewillen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegewild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meewillen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meewillen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meewillen mee zult/zal willen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee en willen
Woordfamilie van meewillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| meegewild | voltooid deelwoord | meewillen |
| meewil | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meewillen |
| meewilde | subordinate-clause, verleden tijd | meewillen |
| meewilden | subordinate-clause, verleden tijd | meewillen |
| meewille | with-subordinate-clause | meewillen |
| meewillend | onvoltooid deelwoord | meewillen |
| meewillende | woordvorm | meewillen |
| meewilt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meewillen |
| meewou | subordinate-clause, verleden tijd | meewillen |
| meewouden | subordinate-clause, verleden tijd | meewillen |
| wil mee | gebiedende wijs | meewillen |
| wilde mee | verleden tijd | meewillen |
| wilden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meewillen |
| wille mee | woordvorm | meewillen |
| willen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meewillen |
| wou mee | verleden tijd | meewillen |
| wouden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meewillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meewillen zijn vastgelegd.