Naar de inhoud

meerderen

vermeerderen

meerderen is meer dan één woord

meerderen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. vermeerderen

Vervoeging van meerderen

meerderenhele werkwoord — meerderdeverleden tijd enkelvoud — meerderdenverleden tijd meervoud — gemeerderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik meerder meerderde
jij meerdert meerderde
hij, zij, het meerdert meerderde
wij meerderen meerderden
jullie meerderen meerderden
zij meerderen meerderden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gemeerderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gemeerderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gemeerderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gemeerderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gemeerderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gemeerderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gemeerderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gemeerderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemeerderd verleden tijd, deelwoord
gemeerderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemeerderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemeerderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
meerder gebiedende wijs
meerderde verleden tijd
meerdere aanvoegende wijs
meerderend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemeerderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te meerderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meerderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meerderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord meerdere

Herkomst

afgeleid van meer met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van meerderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemeerderd voltooid deelwoord meerderen
gemeerderde woordvorm meerderen
meerderde verleden tijd meerderen
meerderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meerderen
meerderend onvoltooid deelwoord meerderen
meerderende woordvorm meerderen
meerdert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meerderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meerderen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over meerderen

Wat betekent meerderen?
Meerderen is een werkwoord. Het woord betekent: vermeerderen.
Hoe vervoeg je meerderen?
Je vervoegt meerderen als volgt: de tegenwoordige tijd is meerder, de verleden tijd is meerderde en het voltooid deelwoord is gemeerderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meerderen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. D 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meerderen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. R 2
  5. D 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meerderen in het kort

meerderen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van meerderen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meerderen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meerderen: vermeerderen
Deel meerderen — standaardnederlands.nl