meerderen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- vermeerderen
Vervoeging van meerderen
meerderenhele werkwoord — meerderdeverleden tijd enkelvoud — meerderdenverleden tijd meervoud — gemeerderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meerder | meerderde |
| jij | meerdert | meerderde |
| hij, zij, het | meerdert | meerderde |
| wij | meerderen | meerderden |
| jullie | meerderen | meerderden |
| zij | meerderen | meerderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemeerderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemeerderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemeerderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemeerderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemeerderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemeerderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemeerderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemeerderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemeerderd | verleden tijd, deelwoord |
| gemeerderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemeerderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemeerderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemeerderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemeerderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemeerderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemeerderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemeerderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemeerderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeerderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemeerderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meerder | gebiedende wijs |
| meerderde | verleden tijd |
| meerdere | aanvoegende wijs |
| meerderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemeerderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te meerderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meerderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemeerderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meerderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemeerderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meerderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord meerdere
Herkomst
afgeleid van meer met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van meerderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemeerderd | voltooid deelwoord | meerderen |
| gemeerderde | woordvorm | meerderen |
| meerderde | verleden tijd | meerderen |
| meerderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meerderen |
| meerderend | onvoltooid deelwoord | meerderen |
| meerderende | woordvorm | meerderen |
| meerdert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meerderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meerderen zijn vastgelegd.