meefietsen
werkwoord ˈmefitsə(n)Betekenis
- samen opfietsen, fietsend bij anderen aansluiten
Hoe spreek je meefietsen uit?
/ˈmefitsən/
Meefietsen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| f | fiets |
| i | riet |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van meefietsen
meefietsenhele werkwoord — fietste meeverleden tijd enkelvoud — fietsten meeverleden tijd meervoud — meegefietstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fiets mee | fietste mee |
| jij | fietst mee | fietste mee |
| hij, zij, het | fietst mee | fietste mee |
| wij | fietsen mee | fietsten mee |
| jullie | fietsen mee | fietsten mee |
| zij | fietsen mee | fietsten mee |
Alle 47 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| fiets mee | gebiedende wijs |
| fietste mee | verleden tijd |
| hebben meegefietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| mee te fietsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen fietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal fietsen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou fietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden fietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt fietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen fietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen fietsen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult fietsen | bijzin, toekomende tijd |
| meefiets | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meefietsend | onvoltooid, deelwoord |
| meefietst | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meefietste | bijzin, verleden tijd |
| meefietsten | bijzin, verleden tijd |
| meegefietst | verleden tijd, deelwoord |
| meegefietst te zullen zijn/hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegefietst zullen zijn/hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn/hebben meegefietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meefietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meefietsen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn meegefietst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meefietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meefietsen mee zou(dt) fietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meefietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meefietsen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meefietsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meefietsen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meefietsen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meefietsen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meefietsen mee zult/zal fietsen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en fietsen ww
Woordfamilie van meefietsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fiets mee | gebiedende wijs | meefietsen |
| fietse mee | woordvorm | meefietsen |
| fietsen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meefietsen |
| fietst mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meefietsen |
| fietste mee | verleden tijd | meefietsen |
| fietsten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meefietsen |
| meefiets | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meefietsen |
| meefietse | with-subordinate-clause | meefietsen |
| meefietsend | onvoltooid deelwoord | meefietsen |
| meefietsende | woordvorm | meefietsen |
| meefietst | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meefietsen |
| meefietste | subordinate-clause, verleden tijd | meefietsen |
| meefietsten | subordinate-clause, verleden tijd | meefietsen |
| meegefietst | voltooid deelwoord | meefietsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meefietsen zijn vastgelegd.