meegaan
werkwoord ˈmeɣanBetekenis
- op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
- iets of iemand navolgen
Hoe spreek je meegaan uit?
/ˈmexan/
Meegaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| e | veel |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- blijven functioneren
Vervoeging van meegaan
meegaanhele werkwoord — ging meeverleden tijd enkelvoud — gingen meeverleden tijd meervoud — meegegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga mee | ging mee |
| jij | gaat mee | ging mee |
| hij, zij, het | gaat mee | ging mee |
| wij | gaan mee | gingen mee |
| jullie | gaan mee | gingen mee |
| zij | gaan mee | gingen mee |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga mee | gebiedende wijs |
| ging mee | verleden tijd |
| is meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| meega | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meegaand | onvoltooid, deelwoord |
| meegaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meegegaan | verleden tijd, deelwoord |
| meegegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meegegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meeging | bijzin, verleden tijd |
| meegingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn meegegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meegaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart meegegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren meegegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren meegegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was meegegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was meegegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was meegegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meegaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn meegegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt meegegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meegaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) meegaan mee zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meegaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meegaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meegegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen meegaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meegaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult meegaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meegaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult meegegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal meegaan mee zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en gaan ww
Woordfamilie van meegaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga mee | gebiedende wijs | meegaan |
| gaan mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meegaan |
| gaat mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meegaan |
| ging mee | verleden tijd | meegaan |
| gingen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meegaan |
| meega | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meegaan |
| meegaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meegaan |
| meegegaan | voltooid deelwoord | meegaan |
| meeging | subordinate-clause, verleden tijd | meegaan |
| meegingen | subordinate-clause, verleden tijd | meegaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meegaan zijn vastgelegd.