Naar de inhoud

meegaan

op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan

meegaan

werkwoord ˈmeɣan

Betekenis

  1. op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
  2. iets of iemand navolgen

Hoe spreek je meegaan uit?

/ˈmexan/

Meegaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmexan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. blijven functioneren

Vervoeging van meegaan

meegaanhele werkwoord — ging meeverleden tijd enkelvoud — gingen meeverleden tijd meervoud — meegegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga mee ging mee
jij gaat mee ging mee
hij, zij, het gaat mee ging mee
wij gaan mee gingen mee
jullie gaan mee gingen mee
zij gaan mee gingen mee
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga mee gebiedende wijs
ging mee verleden tijd
is meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mee te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal gaan bijzin, toekomende tijd
mee zou gaan bijzin, voorwaardelijk
mee zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
mee zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen gaan bijzin, toekomende tijd
mee zult gaan bijzin, toekomende tijd
meega bijzin, tegenwoordige tijd
meegaand onvoltooid, deelwoord
meegaat bijzin, tegenwoordige tijd
meegegaan verleden tijd, deelwoord
meegegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeging bijzin, verleden tijd
meegingen bijzin, verleden tijd
te zijn meegegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meegaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart meegegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren meegegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren meegegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was meegegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was meegegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was meegegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meegaan bijzin, toekomende tijd
zal meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn meegegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt meegegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meegaan bijzin, voorwaardelijk
zou meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) meegaan mee zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meegaan bijzin, voorwaardelijk
zouden meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meegaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen meegaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meegaan bijzin, toekomende tijd
zullen meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult meegaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meegaan bijzin, toekomende tijd
zult meegegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal meegaan mee zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en gaan ww

Woordfamilie van meegaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga mee gebiedende wijs meegaan
gaan mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meegaan
gaat mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meegaan
ging mee verleden tijd meegaan
gingen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meegaan
meega subordinate-clause, tegenwoordige tijd meegaan
meegaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd meegaan
meegegaan voltooid deelwoord meegaan
meeging subordinate-clause, verleden tijd meegaan
meegingen subordinate-clause, verleden tijd meegaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meegaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meegaan

Hoe spreek ik meegaan uit?
Zo spreek je meegaan uit: /ˈmeɣan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van meegaan?
Meegaan is een werkwoord. De betekenis is: op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik meegaan?
Zo vervoeg je meegaan zo: het voltooid deelwoord is meegegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meegaan is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meegaan levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 91 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 11 zonder bonus
  9. 91 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

meegaan telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

meegaan in het kort

meegaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van meegaan staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort meegaan bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

meegaan: op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
Deel meegaan — standaardnederlands.nl