meebeslissen
werkwoordBetekenis
- ook tot de besluitvorming bijdragen, inspraak hebben
Vervoeging van meebeslissen
meebeslissenhele werkwoord — besliste meeverleden tijd enkelvoud — beslisten meeverleden tijd meervoud — meebeslistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beslis mee | besliste mee |
| jij | beslist mee | besliste mee |
| hij, zij, het | beslist mee | besliste mee |
| wij | beslissen mee | beslisten mee |
| jullie | beslissen mee | beslisten mee |
| zij | beslissen mee | beslisten mee |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beslis mee | gebiedende wijs |
| besliste mee | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meebeslist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meebeslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meebeslist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meebeslist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meebeslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meebeslist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meebeslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meebeslist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meebeslist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal beslissen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou beslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden beslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt beslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen beslissen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult beslissen | bijzin, toekomende tijd |
| meebeslis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meebeslissend | onvoltooid, deelwoord |
| meebeslist | verleden tijd, deelwoord |
| meebeslist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meebeslist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meebeslist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meebesliste | bijzin, verleden tijd |
| meebeslisten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben meebeslist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meebeslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meebeslissen | bijzin, toekomende tijd |
| zal meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meebeslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) meebeslissen mee zou(dt) beslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meebeslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meebeslissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meebeslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen meebeslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meebeslissen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult meebeslissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meebeslissen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meebeslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal meebeslissen mee zult/zal beslissen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en beslissen ww
Woordfamilie van meebeslissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beslis mee | gebiedende wijs | meebeslissen |
| beslisse mee | woordvorm | meebeslissen |
| beslissen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meebeslissen |
| beslist mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meebeslissen |
| besliste mee | verleden tijd | meebeslissen |
| beslisten mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meebeslissen |
| meebeslis | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meebeslissen |
| meebeslisse | with-subordinate-clause | meebeslissen |
| meebeslissend | onvoltooid deelwoord | meebeslissen |
| meebeslissende | woordvorm | meebeslissen |
| meebeslist | voltooid deelwoord | meebeslissen |
| meebesliste | subordinate-clause, verleden tijd | meebeslissen |
| meebeslisten | subordinate-clause, verleden tijd | meebeslissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meebeslissen zijn vastgelegd.