meebetalen
werkwoordBetekenis
- ~ aan: een aandeel leveren aan de betaling
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van meebetalen
meebetalenhele werkwoord — betaalde meeverleden tijd enkelvoud — betaalden meeverleden tijd meervoud — meebetaaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | betaal mee | betaalde mee |
| jij | betaalt mee | betaalde mee |
| hij, zij, het | betaalt mee | betaalde mee |
| wij | betalen mee | betaalden mee |
| jullie | betalen mee | betaalden mee |
| zij | betalen mee | betaalden mee |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| betaal mee | gebiedende wijs |
| betaalde mee | verleden tijd |
| er is meebetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was meebetaald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd meebetaald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt meebetaald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal meebetaald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal meebetaald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou meebetaald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou meebetaald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had meebetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had meebetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had meebetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden meebetaald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden meebetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden meebetaald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt meebetaald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meebetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft meebetaald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mee te betalen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| mee te zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mee zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zou betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zouden betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zoudt betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| mee zullen betalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mee zullen betalen | bijzin, toekomende tijd |
| mee zult betalen | bijzin, toekomende tijd |
| meebetaal | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meebetaald | verleden tijd, deelwoord |
| meebetaald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| meebetaald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| meebetaalde | bijzin, verleden tijd |
| meebetaalden | bijzin, verleden tijd |
| meebetaalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| meebetalend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben meebetaald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen meebetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal meebetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zou meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou meebetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) meebetalen mee zou(dt) betalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden meebetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt meebetaald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt meebetalen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen meebetalen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen meebetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult meebetaald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult meebetalen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult meebetalen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal meebetalen mee zult/zal betalen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van mee bw en betalen ww
Woordfamilie van meebetalen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betaal mee | gebiedende wijs | meebetalen |
| betaalde mee | verleden tijd | meebetalen |
| betaalden mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | meebetalen |
| betaalt mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | meebetalen |
| betale mee | woordvorm | meebetalen |
| betalen mee | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | meebetalen |
| meebetaal | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meebetalen |
| meebetaald | voltooid deelwoord | meebetalen |
| meebetaalde | subordinate-clause, verleden tijd | meebetalen |
| meebetaalden | subordinate-clause, verleden tijd | meebetalen |
| meebetaalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | meebetalen |
| meebetale | with-subordinate-clause | meebetalen |
| meebetalend | onvoltooid deelwoord | meebetalen |
| meebetalende | woordvorm | meebetalen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meebetalen zijn vastgelegd.