matten
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een mat aanbrengen op
- mat maken, matteren
- vervaardigd van matten of biezen
- wrongel van melk, karnemelk, eieren en amandelen; bestanddeel van mattentaart
Vervoeging van matten
mattenhele werkwoord — matteverleden tijd enkelvoud — gematvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mat | matte |
| jij | mat | matte |
| hij, zij, het | mat | matte |
| wij | matten | — |
| jullie | matten | — |
| zij | matten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemat | verleden tijd, deelwoord |
| gemat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mat | gebiedende wijs |
| matte | verleden tijd |
| matte | aanvoegende wijs |
| mattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te matten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt matten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult matten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van matten
Vervoeging van matten
mattenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mat
Herkomst
In de betekenis van ‘knokken’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van matten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemat | voltooid deelwoord | matten |
| gematte | woordvorm | matten |
| mattend | onvoltooid deelwoord | matten |
| mattende | woordvorm | matten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van matten zijn vastgelegd.