matsen
werkwoord ˈmɑtsə(n)Betekenis
- het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
- iemand onverdiend bevoordelen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je matsen uit?
/ˈmɑtsən/
Matsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van matsen
matsenhele werkwoord — matsteverleden tijd enkelvoud — matstenverleden tijd meervoud — gematstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mats | matste |
| jij | matst | matste |
| hij, zij, het | matst | matste |
| wij | matsen | matsten |
| jullie | matsen | matsten |
| zij | matsen | matsten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gematst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gematst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gematst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gematst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gematst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gematst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gematst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gematst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gematst | verleden tijd, deelwoord |
| gematst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gematst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gematst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gematst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gematst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gematst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gematst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gematst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gematst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gematst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gematst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gematst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gematst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gematst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gematst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mats | gebiedende wijs |
| matse | aanvoegende wijs |
| matsend | onvoltooid, deelwoord |
| matste | verleden tijd |
| te hebben gematst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te matsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen matsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gematst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gematst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gematst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gematst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gematst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gematst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gematst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gematst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gematst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gematst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt matsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen matsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gematst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gematst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gematst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult matsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
herkomst onzeker, in de betekenis van ‘iemand een voordeeltje gunnen’ aangetroffen vanaf 1952 (zie vindplaats hieronder)
Woordfamilie van matsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gematst | voltooid deelwoord | matsen |
| gematste | woordvorm | matsen |
| matsend | onvoltooid deelwoord | matsen |
| matsende | woordvorm | matsen |
| matsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | matsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van matsen zijn vastgelegd.