Naar de inhoud

matsen

het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn

matsen

werkwoord ˈmɑtsə(n)

Betekenis

  1. het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
  2. iemand onverdiend bevoordelen
  3. tweede betekenisomschrijving.
  4. enz.

Hoe spreek je matsen uit?

/ˈmɑtsən/

Matsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmɑtsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
ɑ bad
t tak
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van matsen

matsenhele werkwoord — matsteverleden tijd enkelvoud — matstenverleden tijd meervoud — gematstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik mats matste
jij matst matste
hij, zij, het matst matste
wij matsen matsten
jullie matsen matsten
zij matsen matsten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gematst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gematst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gematst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gematst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gematst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gematst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gematst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gematst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gematst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gematst verleden tijd, deelwoord
gematst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gematst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gematst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gematst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gematst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gematst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gematst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gematst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gematst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gematst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gematst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gematst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gematst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gematst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gematst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gematst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gematst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gematst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gematst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gematst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mats gebiedende wijs
matse aanvoegende wijs
matsend onvoltooid, deelwoord
matste verleden tijd
te hebben gematst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te matsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen matsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gematst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gematst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gematst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gematst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gematst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gematst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gematst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gematst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gematst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gematst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gematst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gematst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gematst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gematst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gematst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gematst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gematst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gematst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt matsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gematst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gematst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gematst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gematst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gematst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gematst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen matsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gematst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gematst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gematst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult matsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

herkomst onzeker, in de betekenis van ‘iemand een voordeeltje gunnen’ aangetroffen vanaf 1952 (zie vindplaats hieronder)

Woordfamilie van matsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gematst voltooid deelwoord matsen
gematste woordvorm matsen
matsend onvoltooid deelwoord matsen
matsende woordvorm matsen
matsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon matsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van matsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over matsen

Hoe spreek ik matsen uit?
Zo spreek je matsen uit: /ˈmɑtsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van matsen?
Matsen is een werkwoord. De betekenis is: het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik matsen?
Zo vervoeg je matsen zo: de tegenwoordige tijd is mats, de verleden tijd is matste en het voltooid deelwoord is gematst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op matsen?

Op matsen rijmen 3 woorden, onder andere strapatsen, fatsen en karbatsen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op matsen, uitspraak ˈmɑtsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
strapatsen 3
fatsen 2
karbatsen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord matsen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

matsen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 zonder bonus
  8. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

matsen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

matsen in het kort

matsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van matsen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort matsen bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

matsen: het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
Deel matsen — standaardnederlands.nl