martelen
werkwoordBetekenis
- een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
Vervoeging van martelen
martelenhele werkwoord — marteldeverleden tijd enkelvoud — marteldenverleden tijd meervoud — gemarteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | martel | martelde |
| jij | martelt | martelde |
| hij, zij, het | martelt | martelde |
| wij | martelen | martelden |
| jullie | martelen | martelden |
| zij | martelen | martelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemarteld | verleden tijd, deelwoord |
| gemarteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemarteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemarteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemarteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemarteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemarteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemarteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemarteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemarteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemarteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemarteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| martel | gebiedende wijs |
| martelde | verleden tijd |
| martele | aanvoegende wijs |
| martelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemarteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te martelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen martelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemarteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt martelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen martelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemarteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult martelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘folteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276
Woordfamilie van martelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemarteld | voltooid deelwoord | martelen |
| gemartelde | woordvorm | martelen |
| martel | gebiedende wijs | martelen |
| martelde | verleden tijd | martelen |
| martelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | martelen |
| martele | aanvoegende wijs | martelen |
| martelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | martelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van martelen zijn vastgelegd.