marmeren
werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zodanig behandelen dat iets op marmer gaat lijken
- van marmer gemaakt of daarmee bekleed
Vervoeging van marmeren
marmerenhele werkwoord — marmerdeverleden tijd enkelvoud — marmerdenverleden tijd meervoud — gemarmerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | marmer | marmerde |
| jij | marmert | marmerde |
| hij, zij, het | marmert | marmerde |
| wij | marmeren | marmerden |
| jullie | marmeren | marmerden |
| zij | marmeren | marmerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemarmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemarmerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemarmerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemarmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemarmerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemarmerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemarmerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemarmerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemarmerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemarmerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemarmerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemarmerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemarmerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemarmerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemarmerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemarmerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemarmerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemarmerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemarmerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemarmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemarmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemarmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemarmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemarmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| marmer | gebiedende wijs |
| marmerde | verleden tijd |
| marmere | aanvoegende wijs |
| marmerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemarmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te marmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen marmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemarmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemarmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemarmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemarmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemarmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemarmerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemarmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemarmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemarmerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen marmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemarmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemarmerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemarmerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult marmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van marmer met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van marmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marmerde | verleden tijd | marmeren |
| marmerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | marmeren |
| marmere | aanvoegende wijs | marmeren |
| marmerend | onvoltooid deelwoord | marmeren |
| marmerende | woordvorm | marmeren |
| marmert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | marmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marmeren zijn vastgelegd.